De overheid wordt soepeler bij het terugvorderen van onterecht uitbetaalde uitkeringen, zoals een WW- (werkeloosheidsuitkering), AOW- (ouderdomsuitkering) of bijstandsuitkering. Zo wordt de periode waarin het geld bij burgers teruggevorderd kan worden verkort van twintig jaar naar vijf jaar.

Dat schrijven ministers Karien van Gennip (Sociale Zaken) en Carola Schouten (Armoedebeleid) in een Kamerbrief, meldt de Volkskrant woensdag. Eerder kondigde Schouten al een coulanter regime voor de bijstand aan.

Voor het herzien van de WW-, AOW- en bijstandsuitkering geldt nu een maximale wettelijke termijn van twintig jaar. Door die periode naar vijf jaar te verkorten, wordt "de last verdeeld tussen overheid en burger". Ook de Belastingdienst kan tot maximaal vijf jaar geleden aanslagen herzien.

Een uitkering wordt herzien als die deels of helemaal ten onrechte is uitbetaald. Dat gebeurt als mensen onjuiste gegevens over hun werk- of woonsituatie opgeven. De ministers realiseren zich dat moedwillige fraudeurs kunnen profiteren van de nieuwe termijn, maar willen "uitgaan van vertrouwen".

Van Gennip en Schouten schrijven dat de afgelopen jaren wantrouwen de leidraad was bij de controle op uitkeringen en het bestraffen van moedwillige en onopzettelijke fouten. Nu wordt het uitgangspunt "dat de meeste mensen het goede willen doen".

Voor uitkeringsinstanties wordt het makkelijker om een uitkering stop te zetten als er getwijfeld wordt aan de rechtmatigheid en contact met de ontvanger onmogelijk is. Momenteel kan een uitkering alleen worden stopgezet bij een "gegrond vermoeden" dat er iets niet klopt.