De uitspraken van minister Arie Slob (Onderwijs), die zei dat reformatorische scholen ouders een verklaring mogen laten ondertekenen waarin zij homoseksualiteit afwijzen, deden veel stof opwaaien. Scholen hebben in de Grondwet veel vrijheid, maar die botst soms met een ander grondrecht: het gelijkheidsbeginsel. De kritiek op onderwijsvrijheid wordt steeds luider.

Hoeveel vrijheid moeten scholen krijgen? Die discussie laait steeds weer op als de onderwijsinspectie een kritisch rapport aflevert of wanneer een school negatief in het nieuws komt.

Dinsdag kreeg Slob (ChristenUnie) de volle laag in de Kamer omdat hij het afwijzen van homoseksualiteit verdedigde. Later op de dag krabbelde hij deels terug.

De zomer van 2019 was ook zo'n moment. Toen besloot Slob op één dag om de directies van twee verschillende scholen naar huis te sturen. Hij was daarmee de eerste minister ooit die gebruikmaakte van dit paardenmiddel.

Het ging destijds om de Algemene Hindoe Basisschool in Den Haag en het islamitische Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam. Volgens de onderwijsinspectie presteerden de onderwijsinstellingen zo slecht, dat ingrijpen noodzakelijk was.

Bij het Haga Lyceum gaf zelfs veiligheidsdienst AIVD de aanleiding om nader onderzoek te doen. Er waren signalen dat er "antidemocratisch en anti-integratief gedachtegoed" werd verspreid.

Wanneer zitten grondrechten elkaar in de weg?

Slob was zeker van zijn zaak, maar de rechter floot hem tot zijn frustratie terug. De overheid mag vanwege de onderwijsvrijheid niet zomaar bij onderwijsinstellingen ingrijpen, was het rechterlijke oordeel.

Het zou niet de laatste keer zijn dat de onderwijsminister een tik op de vingers kreeg van de rechter in het 'Haga-dossier'. Het gaf hem een "ongemakkelijk gevoel".

Opvallend genoeg gebruikte Slob het argument van onderwijsvrijheid dinsdag om het in opspraak gekomen Van Lodenstein College te verdedigen. Die reformatorische school laat ouders een verklaring dat zij homoseksualiteit afwijzen ondertekenen.

Het tekent de jarenlange worsteling van Den Haag met het onderwerp. Wanneer zit de onderwijsvrijheid (artikel 23 uit de Grondwet) het recht om gelijk behandeld te worden (artikel 1) in de weg?

Gert-Jan Segers (ChristenUnie) en Klaas Dijkhoff (VVD) in debat over onderwijsvrijheid. (ANP)

Opvallende draai bij PvdA en VVD

De discussie rond het Haga Lyceum was voor sommige partijen ook het startsein om hun mening over onderwijsvrijheid te herzien. De draai was vooral opvallend bij de PvdA en VVD.

Wie de voorlopige verkiezingsprogramma's voor de Tweede Kamerverkiezingen van maart 2021 leest, ziet dat een grondwetswijziging tot de mogelijkheden van een kabinetsformatie hoort.

"Pas na honderd jaar artikel 23 van de grondwet aan", schreef PvdA-leider Lodewijk Asscher vorig jaar al over de wet uit 1917. Asschers oproep krijgt vervolg in het PvdA-programma. "Niet alle scholen bieden alle kinderen de kansen die ze verdienen."

Ook bij de VVD was het andere geluid opvallend. "Een beroep op de vrijheid van onderwijs kan nooit een schending van de gelijkwaardige behandeling rechtvaardigen", schreef fractievoorzitter Klaas Dijkhoff in een discussiestuk voor zijn partij.

In het VVD-verkiezingsprogramma is het nu zo opgeschreven dat vrijheid van onderwijs (artikel 23) niet strijdig mag zijn met het gelijkheidsbeginsel (artikel 1).

Kritische geluiden bij GroenLinks ("Leraren en leerlingen niet weigeren op basis van hun identiteit"), SP ("artikel 23 gaat op de schop") en D66 ("acceptatieplicht") waren er al langer. Deze partijen hebben dit eveneens opgenomen in hun programma's voor volgend jaar.

Christelijke partijen willen niet tornen aan artikel 23

Het zijn met name de christelijke partijen CDA, ChristenUnie en SGP die niet willen tornen aan de vrijheid van onderwijs. Deze partijen vrezen dat bijzonder onderwijs in het algemeen en meer specifiek de christelijke scholen onder druk komen te staan.

ChristenUnie-leider Gert-Jan Segers is daarom tégen een acceptatieplicht voor scholen. "Het is alsof je tegen de Partij voor de Dieren zegt: je moet een jager aanvaarden als lid", zei Segers vorig jaar tijdens een discussieavond over de onderwijsvrijheid met Dijkhoff. Artikel 1 is niet belangrijker dan artikel 23, aldus Segers.

Er lijkt zich dus een meerderheid in de Kamer af te tekenen voor het aanpassen van artikel 23, ook als je kijkt naar trends in de peilingen. Maar voor een grondwetswijziging is meer nodig: daarvoor moet het parlement in een nieuwe samenstelling een tweede keer instemmen, en dan met minimaal een tweederdemeerderheid. Dan zal het erom spannen.