Minister Wopke Hoekstra (Financiën) en Eric Wiebes (Economische Zaken) presenteerden maandag na een jaar van speculaties de plannen voor het Nationale Groeifonds. Voor de komende vijf jaar wordt er 20 miljard euro extra uitgegeven om de economie harder te laten groeien, maar wie gaat er eigenlijk over dat geld?

Hoge financiële buffers om toekomstige crises op te vangen, alsmaar stijgende zorgkosten door de vergrijzing, een lagere productiviteit en investeringen in een klimaatneutrale economie.

Het lijstje van het kabinet met toekomstige kosten is fors en de vraag rees al snel: hoe gaan we dat met z'n allen betalen zonder in te leveren op onze welvaart?

Hoekstra en Wiebes kwamen vorig jaar met het antwoord: meer investeren. Geld is geen probleem, want Hoekstra betaalt een negatieve rente op staatsleningen. De Nederlandse overheid krijgt dus geld toe bij de uitgifte van leningen.

De brede kaders zijn bekend. Het geld uit het Nationaal Groeifonds gaat naar kennisontwikkeling, infrastructuur en onderzoek en innovatie. De vraag is waar de miljarden precies aan worden uitgegeven en wie daar het laatste woord over heeft.

Fonds op afstand van de politiek

Het gaat om investeringen voor de lange termijn, daarom komt het fonds op "gepaste afstand" van de politiek te staan. "We hebben fondsen gehad met dezelfde doelen, maar met een politieke afweging", zei Wiebes in een toelichting. "Dat werd een politiek spel. Uiteindelijk ging het geld niet naar waar dat het beste had kunnen belanden."

Hoekstra: "Wij zijn de afgelopen maanden bestookt met goede ideeën. Allemaal heel interessant, maar wij gaan het niet beoordelen. We willen juist niet in de val trappen dat we ons eigen oordeel geven. Dat willen we vragen aan de commissie."

Die commissie, bestaande uit tien leden, bestudeert de plannen en geeft een "zwaarwegend en leidend advies" aan het kabinet.

Het proces begint bij ondernemers, bedrijven en lokale overheden die allemaal voorstellen kunnen indienen. Dan wordt eerst gekeken of die voorstellen technisch in orde zijn, zoals de vraag of het plan bijdraagt aan het verdienvermogen, of het een eenmalige investering is en of het om minimaal 30 miljoen euro gaat.

Ja van commissie leidt niet tot nee van kabinet

Als die zaken allemaal kloppen, is het de beurt aan de commissie, tijdens de persconferentie al snel omgedoopt tot de 'commissie van wijzen'. Onder anderen oud-PvdA-minister Jeroen Dijsselbloem, hoogleraar Robbert Dijkgraaf en ASML-topman Peter Wennink zitten in de commissie.

"De commissie gaat in alle objectiviteit beoordelen welke projecten goed genoeg zijn, welke goed genoeg worden na aanpassing en welke niet goed genoeg zijn", zei Hoekstra.

De commissie bestaat verder uit Marieke Blom (ING), Laura van Geest (AFM), Rianne Letschert (Universiteit Maastricht), Constantijn van Oranje (StartupDelta), Feike Sijbesma (DSM), Robert-Jan Smits (Technische Universiteit Eindhoven) en Jacqueline Tammenoms Bakker (oud-topambtenaar en commissaris bij verschillende bedrijven).

Buiten de tien commissieleden om, worden afhankelijk van het project ook sectorspecifieke experts om advies gevraagd.

Geeft de commissie uiteindelijk groen licht, dan kijken Hoekstra en Wiebes alleen nog of een project niet in strijd is met het regeerakkoord, er volgt geen inhoudelijke toets. Hoekstra: "Het is zeer onwaarschijnlijk dat een ja van de commissie alsnog tot een nee van het kabinet zal leiden."

Andersom is ook niet de bedoeling. Als de commissie een project afkeurt, zal het kabinet er niet alsnog mee aan de slag gaan.

Hoekstra: 'Kamer heeft het laatste woord'

Hoe zit het tot slot met de bevoegdheid van het parlement? "De Kamer heeft altijd het laatste woord in een parlementaire democratie", zei Hoekstra.

Dat is in zekere zin ook het geval. Het Groeifonds wordt gegoten in een aparte begroting en die moet door beide Kamers worden goedgekeurd.

De Kamer bepaalt ook de verdeling van het geld tussen kennisontwikkeling, infrastructuur en onderzoek en innovatie, maar de specifieke invulling van de bedragen is aan de commissie.

Om de cirkel rond te maken controleert het kabinet de projecten en het kabinet wordt weer gecontroleerd door de Kamer.