Het geld dat door het afschaffen van de basisbeurs voor studenten beschikbaar kwam, heeft voor het eerst concrete bestemmingen gekregen in het onderwijs. Deze investering, die de kwaliteit moet verbeteren, was de belangrijkste belofte bij de invoering van het leenstelsel.

Studenten zijn meer gaan betalen voor hun studielening, maar zouden daar meer kwaliteit voor in de plaats krijgen. "Dat was en is nog altijd het belangrijkste doel van de inzet van de studievoorschotmiddelen", schrijft minister Ingrid van Engelshoven dinsdag in een brief aan de Tweede Kamer.

Tot nu toe zijn vijftien plannen van hogescholen en universiteiten goedgekeurd. Daar gaat in totaal 216 miljoen euro naartoe. In totaal kan dat tot 2021 oplopen tot 663 miljoen euro. Als alle plannen worden goedgekeurd, gaat het om 2,4 miljard euro.

Van Engelshoven heeft in 2018 met de Vereniging Hogescholen, universiteitskoepel VSNU en studentenorganisaties ISO en LSVB kwaliteitscriteria afgesproken waar de plannen aan moeten voldoen. De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) gaat de plannen toetsen.

Achttien instellingen kregen goedkeuring voor plan

Inmiddels is door 54 instellingen een plan ingediend, waarvan 18 zijn goedgekeurd. Voor veel andere onderwijsinstellingen loopt de beoordelingsprocedure nog. Uiterlijk in april 2020 moeten alle plannen zijn beoordeeld.

De doelen lopen uiteen. Het gaat onder meer om talentenprogramma's, de kwaliteitsverbetering van docenten, onderwijsfaciliteiten, begeleiding van studenten en de toegankelijkheid van het onderwijs.

Sommige studenten vallen net buiten de boot, omdat zij net na de afschaffing van de basisbeurs en net voor de eerste investeringsrondes studeren. Voor hen zijn er daarom studievouchers ter waarde van ongeveer 2.000 euro die zij vijf tot tien jaar na het afstuderen kunnen gebruiken voor extra scholing.

Uitblijven investering was het grootste punt van kritiek

Het leenstelsel is door het vorige kabinet als bezuinigingsmaatregel ingevoerd vanwege de financiële crisis waar Nederland toen in terechtkwam. Omdat de kwaliteitsinvesteringen uitbleven, zwol de kritiek aan. Steeds meer partijen in de Tweede Kamer keerden zich tegen het plan.

Zo zijn GroenLinks en PvdA - samen met VVD en D66 de bedenkers van het leenstelsel - inmiddels van opvatting veranderd. Er is nu een ruime meerderheid in de Kamer die liever van het leenstelsel af wil, maar geen partij wil terug naar de voorgaande situatie. Zo pleit de PvdA ervoor een basisbeurs in te voeren voor studenten van wie de ouders niet meer dan 100.000 euro verdienen.

De totale afschaffing van het leenstelsel kost veel geld en daardoor lijkt het onwaarschijnlijk dat dit nog deze kabinetsperiode gaat gebeuren. Al is het maar omdat regeringspartijen D66 en VVD nog steeds vertrouwen hebben in de huidige opzet.

Woensdag en donderdag debatteert de Kamer met Van Engelshoven over de onderwijsbegroting.