In de nacht van zaterdag op zondag is de wintertijd weer ingegaan. Als het aan de Europese Commissie had gelegen, zouden we dit jaar al stoppen met het verzetten van de klok. De lidstaten zitten die plannen echter in de weg. Hoe staat de besluitvorming ervoor?

In de zomer van 2018 schreef de commissie een enquête over de zomer- en wintertijd uit, waaraan 4,6 miljoen inwoners van de Europese Unie meededen. 84 procent van de respondenten zei liever te willen stoppen met het verzetten van de klok. In Nederland deden slechts 30.000 mensen mee aan de enquête. 79 procent van deze groep was voor de afschaffing, maar over de vraag welke tijd ze permanent wilden aanhouden, waren ze verdeeld.

Hoewel 70 procent van de deelnemers Duits was, pleitte commissievoorzitter Jean-Claude Juncker op basis van deze uitkomsten voor het afschaffen van de zomer- of wintertijd. Na zijn pleidooi laaide de discussie in de verschillende lidstaten hoog op. Willen we het wel afschaffen? En gaan we dan voor de zomer- of wintertijd?

Onze standaardtijd wordt ook wel de wintertijd genoemd. De zomertijd werd naar aanleiding van de oliecrisis van 1973 in veel Europese landen ingevoerd (in Nederland in 1977). Doordat het ’s avonds een uur langer licht is, zou dit leiden tot energiebesparing. Dit is echter een discutabel punt. Uit verschillende onderzoeken blijkt namelijk dat hier nauwelijks sprake van is.

In 1980 volgt er Europese afstemming en in 1996 komen er Europese richtlijnen over verplichte wisseldagen. Deze richtlijnen zijn echter niet bindend, de lidstaten mogen nog altijd zelf hun tijden bepalen, zei Juncker.

Lidstaten willen geen lappendeken van tijdzones over de EU

Een aantal maanden na het voorstel van Juncker blijkt dat de meeste lidstaten voor de afschaffing zijn, maar nog wel veel praktische bezwaren hebben. Zo willen de landen liever niet dat er een lappendeken van tijdzones over de EU komt te liggen.

In de EU kennen we nu al drie standaardtijdzones. In Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Portugal geldt de West-Europese tijd, in Nederland en zestien andere landen de Midden-Europese tijd en in acht landen, waaronder Griekenland en Finland, de Oost-Europese tijd. Door verschillende keuzes tussen winter- en zomertijd kan dit tijdsverschil nog verder oplopen - niet alleen tussen deze drie delen maar ook tussen buurlanden onderling.

Als Nederland bijvoorbeeld opeens in een andere tijdszone dan Duitsland en België terechtkomt kan dit leiden tot extra kosten voor bedrijven en burgers. Om deze reden pleitte premier Mark Rutte er dan ook voor om in ieder geval samen met de Benelux, Frankrijk, Duitsland en Italië één tijdsregime te kiezen.

Volgens het voorstel van de commissie moesten de lidstaten vóór 31 maart 2019 laten weten voor welke tijd zij zouden gaan. Al snel bleek dit plan te ambitieus. Sommige lidstaten willen bijvoorbeeld helemaal niet af van de winter- of zomertijd.

2019 is niet haalbaar, deadline verschuift

In december 2018 besluit de Raad van Europese transportministers, onder wie het dossier valt, inderdaad dat 2019 niet haalbaar is en wordt de deadline naar 2021 verplaatst. Ook stellen de ministers dat het nog steeds mogelijk is om helemaal af te zien van de afschaffing.

Daarop gaat de kwestie naar het Europees Parlement en komt de afschaffing weer een stapje dichterbij. In maart 2019 stemt namelijk een meerderheid van de leden voor. Wel hebben ze een uitstelclausule aangenomen die zo’n beschreven lappendeken moet voorkomen.

Een besluit in de EU is alleen niet zo makkelijk genomen. Het aangepaste voorstel moet namelijk nu weer worden voorgelegd aan de lidstaten. Zij moeten met gekwalificeerde meerderheid instemmen en uiteindelijk moet ook de commissie opnieuw groen licht geven.

Lidstaten willen meer tijd voor onderzoek en afstemming onderling

Het is nu dus aan de lidstaten om een standpunt in te nemen over dit laatste voorstel. Minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollengren stuurde daarover 15 oktober dit jaar een brief naar de Tweede Kamer waarin ze schrijft dat de Raad van ministers nog geen standpunt heeft ingenomen en dat ze dit ook niet op korte termijn verwacht. De lidstaten hebben gezegd dat ze meer tijd willen voor nationale consultatie en internationale afstemming.

Ondertussen is in Nederland onderzoek gedaan door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over de gevolgen voor de gezondheid en zijn er gesprekken gevoerd met experts en vertegenwoordigers over de gevolgen voor de ICT, economie, transportsector en het milieu. Daarin zijn ook de gevolgen meegenomen van een eventueel tijdsverschil met buurlanden.

Voor de gezondheid is het beter dat Nederland kiest voor de permanente wintertijd en zelfs het beste als we ons aan de tijd van de Britten gaan houden. Daarentegen is het voor de luchtvaart beter om niks af te schaffen en voor de economie en verkeersveiligheid juist beter om de zomertijd permanent in te voeren.

Als de zomertijd de standaardtijd wordt, moet in maart 2021 voor het laatst de klok een uur vooruit. Bij een permanente wintertijd moet de klok in oktober 2021 een uur terug. Het is de vraag of de lidstaten het voor deze tijd eens zijn.