Het Landelijk Parket heeft woensdag bevestigd dat de rijksrecherche klokkenluider Marianne van Ooyen en twee vertrouwenspersonen van het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft afgeluisterd in het strafrechtelijk onderzoek naar de WODC-affaire. Het onderzoek heeft geen verdachten opgeleverd en leidt niet tot een strafzaak.

Begin oktober meldde NRC op basis van bronnen dat Van Ooyen en de twee vertrouwenspersonen maandenlang zouden zijn afgeluisterd.

De rijksrecherche heeft de drie getuigen laten weten hun telefoon "met toestemming van de rechter-commissaris" tweemaal te hebben afgeluisterd, voor de duur van respectievelijk zes en veertien dagen.

Ministerie deed in 2018 aangifte

Minister van Justitie en Veiligheid Ferd Grapperhaus deed in 2018 aangifte nadat in 2017 informatie over bemoeienis van het ministerie met onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum (WODC) was gelekt naar Nieuwsuur.

Het ging om een klacht van Van Ooyen, die zich in 2013 bij een vertrouwenspersoon beklaagde over ambtenaren die het WODC onder druk zetten om kritische noten uit een onderzoek naar het drugsbeleid van toenmalig justitieminister Ivo Opstelten aan te passen.

Het onderzoek van de rijksrecherche was erop gericht de bronnen van de gelekte informatie te achterhalen, "maar het onderzoek geeft geen aanleiding om één of meer concrete personen aan te wijzen als verdachte". Daarom is het onderzoek gestaakt.

Onderzoek leidde tot verdeeldheid

Het strafrechtelijk onderzoek leidde tot verdeeldheid op het ministerie en tot kritiek van onder andere SP en D66.

In antwoorden op Kamervragen zei Grapperhaus dat het "lekken van informatie het onderlinge vertrouwen, de privacy van betrokkenen en de interne openheid tussen medewerkers onderling schaadt" en dat hij daarom aangifte heeft gedaan.

De minister voegde daaraan toe dat hij geen aangifte tegen Van Ooyen heeft gedaan en dat expliciet is benoemd dat de vertrouwelijke informatie buiten haar medeweten om is gelekt.