Een ruime meerderheid van de Tweede Kamer heeft donderdag ingestemd met de bevriezing van de AOW-leeftijd op 66 jaar en vier maanden voor de komende twee jaar en een minder snellere stijging voor de jaren erna.

Dat betekent dat in 2020 en 2021 de AOW-leeftijd op het huidige niveau van 66 jaar en vier maanden blijft.

Vervolgens stijgt de AOW-leeftijd in 2022 naar 66 jaar en zeven maanden, in 2023 naar 66 jaar en tien maanden en in 2024 naar 67 jaar. In de oude situatie stijgt de AOW-leeftijd al in 2021 naar 67 jaar.

Vanaf 2025 wordt de AOW-uitkering gekoppeld aan de levensverwachting. Als we gemiddeld een jaar ouder worden, moeten we acht maanden langer doorwerken. In de oude situatie was die koppeling een-op-een.

Deze afspraken heeft het kabinet in het pensioenakkoord gemaakt met werkgevers en werknemers. GroenLinks en PvdA werden ook betrokken bij de afspraken waardoor een meerderheid in het parlement al was veiliggesteld.

Naast deze twee linkse partijen en de coalitie, stemden ook SP, PvdD, DENK, 50PLUS en SGP in. Goed voor een meerderheid van 128 van de 150 zetels.

De AOW, het pensioen dat door de overheid wordt uitgekeerd, wordt apart in het parlement behandeld. Over andere afspraken uit het pensioenakkoord, zoals de hervorming van het pensioenstelsel en een verplichte zzp-verzekering, wordt een andere keer gedebatteerd.

Betaalbaar dankzij verrassende meevaller

Het minder snel laten stijgen van de AOW-leeftijd naar 67 jaar in 2024, kost in totaal 5,3 miljard euro tussen 2020 en 2025. Omdat het kabinet dit bedrag niet in zo'n korte periode wil ophoesten, wordt het uitgesmeerd over een periode van vijftien jaar zodat het geen grote gevolgen voor de overheidsfinanciën heeft.

Er is alsnog sprake van bezuinigingen en lastenverzwaring om het pakket financieel rond te krijgen. Enerzijds wordt een loonsubsidiemaatregel (lage-inkomensvoordeel, LIV) afgeschaft. De lastenverhoging wordt gelijk verdeeld over burgers en bedrijven.

Voor de financiële dekking van de minder strenge koppeling tussen de AOW-leeftijd en de levensverwachting, had het kabinet een onverwachte meevaller. Het Centraal Planbureau (CPB) kwam erachter, toevallig of niet, dat in de toekomst meer mensen aan het werk zijn dan eerder werd verwacht, waardoor er meer geld naar de schatkist vloeit.

In de verre toekomst verbeteren de overheidsfinanciën daardoor structureel met 0,5 procent van het bruto binnenlands product (bbp), ongeveer 4 miljard euro dit jaar. Dat biedt het kabinet financiële ruimte om de minder snellere stijging van de AOW-leeftijd ook in de toekomst te kunnen betalen.