Nadat de financiële crisis in 2008 was uitgebroken, werd pijnlijk duidelijk dat het pensioenstelsel niet meer voldoet aan de huidige tijd. In de jaren die daar op volgden, zijn tevergeefs pogingen ondernomen om het stelsel aan te passen. Tien jaar nadat er voor het eerst over vernieuwing werd gesproken, ligt er een 25 pagina's tellend akkoord op hoofdlijnen. Dit zijn de belangrijkste punten.

Pensioenstelsel gaat op de schop

Het was dit kabinet vooral te doen om een nieuw pensioenstelsel. Hoewel onze pensioenen zelfs in het buitenland worden geroemd, zijn veel zaken verouderd. Zo werkt bijna niemand meer een heel werkzaam leven bij één baas, hebben we te maken met vergrijzing, worden we gemiddeld ouder en zijn er veel zelfstandigen en flexwerkers op de arbeidsmarkt bij gekomen.

Het nieuwe pensioenstelsel moet vooral persoonlijk en transparanter worden. Deelnemers krijgen meer inzicht in wat zij betalen en wat ze kunnen verwachten als ze met pensioen gaan. Je spaart meer voor je eigen pensioenpotje. Tegelijkertijd wordt er geen zekerheid meer gegeven over de hoogte van het pensioen.

De doorsneesystematiek, waarbij alle werknemers bij hetzelfde pensioenfonds dezelfde premie betalen, wordt afgeschaft en vervangen door een premie die meer leeftijdsgebonden is.

Pensioenen korten en laten stijgen wordt makkelijker

Het belangrijkste verschil is dat de pensioenen sneller en makkelijker meebewegen met de economie. Pensioenfondsen moeten buffers hebben om aan hun toekomstige verplichtingen te kunnen voldoen. Fondsen mogen er tien jaar over doen als die buffers niet aan het vereiste minimum voldoen.

Daardoor wordt de pijn vooruitgeschoven en krijgen mensen er pas mee te maken als het economisch juist weer goed gaat.

Dat is nu het geval bij de metaalfondsen PMT en PME. Deelnemers worden mogelijk volgend jaar gekort, omdat de fondsen de afgelopen jaren in zwaar weer zaten. Hetzelfde dreigt in 2021 voor deelnemers van ABP (overheid en onderwijs) en PFZW (zorg).

Met minder strikte regels kunnen pensioenen eerder worden verhoogd als er goede rendementen worden gehaald. Gaat het economisch slecht, dan wordt er juist eerder gekort.

Doordat de zekerheid over de hoogte van de pensioenen wordt losgelaten, zijn er ook geen grote buffers meer nodig. Ook daarom kunnen pensioenen sneller meebewegen met de economische ontwikkelingen.

AOW-leeftijd in 2024 naar 67 jaar

De leeftijd voor het ontvangen van AOW, het pensioen dat door de staat wordt uitgekeerd, wordt tot en met 2021 bevroren op het huidige niveau van 66 jaar en vier maanden.

Vervolgens stijgt de AOW-leeftijd in 2022 naar 66 jaar en zeven maanden, in 2023 naar 66 jaar en tien maanden en in 2024 naar 67 jaar. In de oude situatie stijgt de AOW-leeftijd al in 2021 naar 67 jaar.

Ook de koppeling tussen de AOW-leeftijd en de gemiddelde levensverwachting wordt minder streng. Nu moet je een jaar langer doorwerken als we gemiddeld een jaar ouder worden. Dat wordt aangepast naar acht maanden langer doorwerken.

Het bevriezen en minder snel laten oplopen van de AOW-leeftijd kost het kabinet eenmalig 7 miljard euro. Daarna zijn de kosten jaarlijks 4 miljard euro.

Eerder stoppen met werken

Als je nu eerder wil stoppen met werken, dan krijg je de AOW-uitkering niet eerder. Je moet dus een groot deel van je gespaarde pensioen naar voren halen om niet al te veel in inkomen achteruit te gaan. Je pensioen wordt dan ook een stuk lager.

Dat moet anders, vinden de partijen. Daarom kunnen werkgevers en werknemers straks samen afspreken dat de werknemer eerder stopt met werken, een klein deel van zijn pensioen naar voren haalt en de werkgever een deel salaris doorbetaalt.

Nu is het zo dat het kabinet vervroegd pensioen wil ontmoedigen, dus moet je in dat geval een flinke boete betalen. Het is dus duur om vervroegd met pensioen te gaan, vooral voor mensen met een laag inkomen.

Die boete gaat nu tijdelijk van tafel, althans voor een deel. Werkgevers krijgen een vrijstelling voor de eerste 19.000 euro bruto per jaar als een werknemer binnen drie jaar voor het bereiken van de AOW-leeftijd stopt met werken.

Die 19.000 euro is niet toevallig gekozen. Het bedrag is ongeveer gelijk aan een netto-AOW-uitkering. Zo kun je als werknemer dus eerder stoppen met werken, zonder dat je je pensioen al te veel opeet.

Deze regeling is vooral gunstig voor mensen met een laag inkomen. Vaak is dit ook de groep met zwaar werk.

Het kabinet wil alleen beslist niet dat hier massaal gebruik van wordt gemaakt, want dan wordt de maatregel te duur. Daarom wordt er in totaal 800 miljoen euro uitgetrokken om afspraken te maken voor werknemers, zodat zij gezond hun pensioenleeftijd kunnen halen. Denk aan om- en bijscholing, generatiepactregelingen en loopbaanbegeleiding.

Er wordt dus tijd gekocht, zodat werkgevers en werknemers aan een definitieve oplossing kunnen werken.

Pensioen en verzekering voor zelfstandigen

Wat hebben zzp'ers met pensioenen te maken? Niet veel op het eerste gezicht, maar daar waren de vakbonden en oppositiepartijen GroenLinks en PvdA het niet mee eens. Zij vinden dat zelfstandigen, maar ook uitzendkrachten, een goed pensioen moeten kunnen afsluiten.

Veel zelfstandigen bouwen nu namelijk weinig of geen pensioen op en dat kan leiden tot een grote inkomensval. De mogelijkheden zijn ook beperkter vergeleken met werknemers in vaste dienst die via hun werkgever zijn aangesloten bij een pensioenfonds.

Zij hebben daardoor (kosten)voordelen vanwege de collectiviteit die zzp'ers niet hebben zoals beleggingen, administratie en het afdekken van risico's.

Het kabinet krijgt de opdracht om het voor zelfstandigen eenvoudiger te maken zich vrijwillig bij een pensioenfonds aan te sluiten in de sector of het bedrijf waar zij voor werken. Ook voor zzp'ers die in meerdere sectoren werken, moeten er mogelijkheden komen.

Een arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt wel verplicht voor zzp'ers. De partijen willen niet dat kosten en risico's van deze grote groep onverzekerden worden afgewenteld op de samenleving. Het kabinet wil dat de sociale partners vanaf volgend jaar een oplossing hebben uitgewerkt, zonder dat het de overheid geld kost.

Koolmees werkt zelf nog aan een nieuwe zzp-wet, waarin hij ook aandacht heeft voor minimumtarieven die rekening houdt met zo'n verzekering. Maar op dat dossier valt sowieso nog veel werk te verrichten.