Het Nederlands asielbeleid is op orde, maar uitzonderingsmaatregelen als de discretionaire bevoegdheid en pardonregelingen zijn bij uitgeprocedeerde asielzoekers niet bevorderlijk voor de bereidheid om te vertrekken. Dat zijn de bevindingen van de Commissie Langdurig Verblijvende Vreemdelingen, beter bekend als de commissie-Van Zwol.

De commissie concludeert verder dat nieuwe maatregelen er niet voor zullen zorgen dat de wachttijd voor vreemdelingen wordt ingeperkt. "Wij constateren dat oplossingen in de uitvoering moeten worden gezocht", aldus commissievoorzitter Richard van Zwol.

Dat betekent dat er voor een langere periode financiële stabiliteit en voldoende personeel nodig is bij de instanties die verantwoordelijk zijn voor het asielbeleid.

Dat houdt echter niet in dat daarmee de problematiek rond uitgeprocedeerde asielzoekers die niet vertrekken zal worden opgelost. "Een perfect systeem bestaat niet, voor een deel is het probleem van langdurig verblijvende vreemdelingen zonder bestendig verblijfsrecht onoplosbaar gebleken", staat in het rapport.

Tegelijkertijd behoort Nederland wel "tot de landen met het hoogste aandeel personen dat na hun afwijzing aantoonbaar vertrekt".

Uitzetting Lili en Howick aanleiding voor onderzoek naar asielbeleid

Aanleiding voor het onderzoek naar het Nederlands asielbeleid was de zaak rond de uitzetting van de Armeense broer en zus Lili en Howick. De twee kinderen waren uitgeprocedeerd en moesten Nederland verlaten, wat tot maatschappelijke verontwaardiging leidde en ook de coalitie van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie spleet.

De roep om een nieuw kinderpardon nam toe, maar daar zagen VVD en CDA niets in. Er werd afgesproken om een commissie in het leven te roepen die het hele asielsysteem zou onderzoeken.

In de tussentijd nam de maatschappelijke druk toe en kwam er toch een verruiming van het kinderpardon. Als onderdeel van de verruiming werd ook de discretionaire bevoegdheid bij de bewindsman weggenomen.