Een meerderheid van het Europees Parlement heeft het voorstel gesteund dat beschrijft dat pas in 2021 wordt gekeken naar het afschaffen van de zomer- of wintertijd. Ook is een clausule aangenomen die moet voorkomen dat er een "lappendeken" aan verschillende tijden ontstaat.

Het is namelijk al bepaald dat EU-lidstaten zelf mogen beslissen of ze permanent op zomer- of wintertijd willen overschakelen. Het Europees Parlement ziet het niet zitten dat, als fictief voorbeeld, Nederland een andere tijd aanhoudt dan Duitsland.

Voor de zomertijd als standaardtijd moeten in maart 2021 voor het laatst de klokken één uur vooruit. Bij een permanente wintertijd moeten de klokken in oktober 2021 één uur terug.

De Europese Commissie had in september voorgesteld al dit jaar te stoppen met de verplichte zomer- en wintertijdregeling, maar de lidstaten hebben de kwestie vooruitgeschoven.

Voorlopig verandert er dus niets. In de zomer wordt er weer naar het plan gekeken door de EU-transportministers die verantwoordelijk zijn, omdat het voorstel hiervandaan kwam.

'Twee op vijf Nederlanders wil wintertijd aanhouden'

Eerder is in Nederland een zogeheten flitspeiling gehouden, waarin achttienhonderd mensen om hun mening is gevraagd. Hieruit kwam naar voren dat twee op de vijf Nederlanders het liefst altijd de wintertijd wil aanhouden.

Minister Kajsa Ollongren van Binnenlandse Zaken wil meer tijd om de effecten goed te laten onderzoeken. Dit geldt ook voor andere landen, die eerst de bevolking, het bedrijfsleven en belanghebbenden willen raadplegen.