De voorstellen uit het ontwerpklimaatakkoord leveren een besparing van 31 tot 52 megaton CO2 in 2030 op. Dat valt nog binnen het gestelde kabinetsdoel van 48,7 megaton minder CO2, al wordt dat waarschijnlijk niet gehaald. Vooral de industrie levert te weinig besparingen.

"Er is nog veel werk aan de winkel", concludeert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de woensdag gepubliceerde doorrekeningen van de klimaatplannen.

De megatonnen moeten leiden tot 49 procent minder CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990 om de opwarming van de aarde tegen te gaan.

Het PBL vermoedt dat het doel niet wordt gehaald vanwege "onzekerheden over verdere vormgeving van de afspraken". Ook speelt mee hoe burgers en bedrijven op de 128 voorgestelde maatregelen reageren.

Het doel wordt alleen gehaald als alle puzzelstukjes op de juiste wijze in elkaar vallen. Kortom: burgers en bedrijven moeten in alle gevallen positief reageren op de klimaatmaatregelen, aldus het PBL.

Een volledige kabinetsreactie op de doorrekeningen volgt eind april.

In het kort:

  • Klimaatdoel van 49 procent minder CO2 in 2030 wordt waarschijnlijk niet gehaald
  • Vooral industrie blijft achter bij besparen megatonnen broeikasgassen
  • Kosten vallen in 2030 lager uit dan eerder geraamd
  • Laagste inkomens worden het hardst geraakt

Industrie levert te weinig besparing

Iedere overlegtafel kreeg een eigen opdracht mee om uiteindelijk een afgesproken aantal megaton CO2 te besparen in 2030. De tafels zijn opgedeeld in de sectoren industrie, woningen, mobiliteit, landbouw en elektriciteit en moeten gezamenlijk de 48,7 megaton CO2 besparen. Dat aantal staat gelijk aan de 49 procent reductie in 2030.

Het PBL concludeert nu dat de industrie (opgave: 14,3 megaton CO2) in het gunstigste geval uitkomt op een besparing van 13,9 megaton CO2. De huidige methode om bedrijven tot besparen te zetten is te onzeker, schrijft het PBL.

De industrie stelde zelf voor om met een bonus- en boetesysteem te werken. Bedrijven moeten plannen voor hoe zij het klimaatdoel willen halen indienen. Lukt dat niet of werken zij niet mee, dan krijgen ze een boete. Lukt het wel, dan maken ze aanspraak op subsidie.

Het PBL vraagt zich af of dat bedrijven zal aanzetten tot investeringen in minder uitstoot. Zo voorzien de rekenmeesters problemen met de juridische afdwingbaarheid en zijn er twijfels over de kosten en investeringen in projecten waarvan onduidelijk is hoeveel CO2-besparing ze opleveren.

Het CPB heeft de effecten van een boetesysteem niet doorgerekend omdat de uitwerking en uitvoering te onzeker zijn.

Milieuclubs en linkse partijen vragen om een CO2-heffing

Het bonus- en boetesysteem kreeg vanaf het begin al veel kritiek. Het was voor enkele milieuorganisaties en de FNV reden om uit het klimaatoverleg te stappen, zij willen een directe manier van CO2-beprijzing door middel van een heffing.

De organisaties noemen een CO2-heffing nu "onvermijdelijk".

Ook partijen in de Tweede Kamer, zoals GroenLinks en de PvdA, vragen om zo'n CO2-heffing.

Op verzoek van deze partijen wordt zo'n maatregel door het PBL alsnog doorgerekend, maar de uitkomst kon niet meer worden meegenomen met de woensdag gepubliceerde cijfers.

Vlnr: Laura van Geest (Centraal Planbureau), Pieter Boot, Hans Mommaas (beiden Planbureau voor de Leefomgeving) en Minister Eric Wiebes van Economische Zaken en Klimaat (ANP).

Maatregelen treffen laagste inkomens het hardst

Het Centraal Planbureau (CPB), dat keek naar de koopkrachteffecten van de klimaatmaatregelen, berekende dat alle huishoudens er in 2030 gemiddeld 1,3 procent op achteruitgaan. In dit geval is al het eerdere klimaat- en energiebeleid van het kabinet meegenomen.

De laagste inkomens gaan er in het totale plaatje het meest op achteruit (-1,8 procent), de hoogste inkomens met -0,8 procent het minst.

Ook ,et alleen de maatregelen uit het ontwerpklimaatakkoord gaan de lage- en middeninkomens er het meest op achteruit.

Hier moet worden benadrukt dat het gaat om koopkrachtcijfers in 2030 als het kabinet verder geen actie onderneemt. De politiek heeft jaarlijks de kans het beleid aan te passen om koopverschillen weg te werken.

Als er wordt gekeken naar het totale kostenplaatje van 5,2 miljard euro in 2030, blijkt dat gezinnen een groter deel moeten ophoesten (3 miljard) dan bedrijven (2 miljard). Het overige deel valt in het buitenland.

Kosten vallen lager uit dan eerder berekend

De kosten vallen lager uit dan waar eerder rekening mee werd gehouden. De zogenoemde nationale kosten bedragen in 2030 tussen de 1,6 en 1,9 miljard euro. In december raamde het PBL nog op 3 tot 4 miljard euro.

De nationale kosten zeggen iets over de kosten voor de Nederlandse samenleving als geheel, ongeacht wie de rekening krijgt. Belastingen en subsidies tellen hierin niet mee, omdat dit wordt gezien als waardeoverdracht tussen verschillende partijen binnen de samenleving.

Politiek is nu aan zet

Nu duidelijk is hoeveel CO2-besparing welke maatregel oplevert en wat de kosten daarvan zijn, is de politiek aan zet. De Tweede Kamer en het kabinet zullen moeten kiezen welke maatregelen zij willen invoeren om het doel van 49 procent minder broeikasgassen te halen.

In het proces is door politici steeds gezegd dat de energietransitie haalbaar en betaalbaar moet zijn en dat de grootste vervuiler moet betalen, maar dat tegelijkertijd de maatregelen de concurrentiepositie van bedrijven niet mogen schaden. Dat zijn bij uitstek politieke vragen waar verschillend over wordt gedacht in Den Haag.