Minister Wopke Hoekstra van Financiën blijft bij zijn standpunt dat hij de afschaffing van de dividendbelasting niet in een aparte wet wil behandelen in de Tweede en Eerste Kamer.

Zowel 50PLUS als SP dringt hier donderdag op aan tijdens een Kamerdebat over de rijksbegroting voor komend jaar.

De dividendmaatregel zit in een pakket waarin ook de verlaging van de winstbelasting voor bedrijven en de bestrijding van belastingontwijking zijn opgenomen. Daardoor kunnen parlementariërs niet voor of tegen de belasting voor aandeelhouders alleen stemmen.

Dat steekt de partijen, want ze zien in tegenstelling tot de afschaffing van de dividendbelasting de andere maatregelen wel zitten. Met name 50PLUS-Kamerlid Martin van Rooijen maakt hier al langer een punt van. "Dit is ondemocratisch", vindt Van Rooijen.

De 50PLUS'er herinnert Hoekstra bovendien aan zijn periode als CDA-senator tussen 2011 en 2017. De bewindsman sprak zich toen uit tegen omvangrijke wetten vanuit het kabinet, waardoor de Eerste Kamerleden sommige maatregelen niet apart konden behandelen.

'Blijkbaar is Hoekstra bang voor de Kamerleden'

Maar Hoekstra vindt dat er nu sprake is van een andere situatie. De verschillende maatregelen in de wet waarin de afschaffing van de dividendbelasting is opgenomen, hangen met elkaar samen. Het is dus logisch dat het in één pakket wordt behandeld, vindt de minister.

Daarbij heeft de Raad van State, het belangrijkste adviesorgaan van de regering, deze werkwijze van het kabinet goedgekeurd. "Als de Raad van State had gezegd dat de dividendbelasting niet zo mag worden opgediend, dan hadden wij ons opnieuw moeten beraden", aldus Hoekstra.

SP-Kamerlid Renske Leijten hekelt deze manier van handelen en spreekt van "een rommelpakketje" waarin de dividendbelasting nu wordt behandeld. "U verschuilt zich achter het advies van de Raad van State en verzamelwetten. Blijkbaar bent u bang voor de Kamerleden", beet ze Hoekstra toe.

De dividendbelasting wordt in 2020 afgeschaft, maar wordt volgend jaar al in het Belastingplan opgenomen dat aan het einde van dit jaar in beide Kamers wordt behandeld.

De maatregel kost het kabinet ieder jaar ongeveer 2 miljard euro. Omdat voor Nederlanders die belasting wordt vergoed door de fiscus, gaat dat geld vooral naar buitenlandse aandeelhouders in Nederlandse beursgenoteerde bedrijven en naar buitenlandse overheden.

Oppositie heeft wet om maatregel terug te draaien

De oppositie is fel tegen de afschaffing. De partijen missen deugdelijke onderbouwing waaruit blijkt waarom de maatregel nodig is. Zij geven het geld daarom liever aan andere zaken uit.

Maar het kabinet blijft in de discussie hameren op het belang van een goed vestigingsklimaat en daarmee het behoud of creëren van werkgelegenheid.

De oppositie heeft inmiddels een wet opgetuigd waarmee de afschaffing kan worden teruggedraaid. Die kan worden ingezet als de coalitie zijn meerderheid in de Eerste Kamer van één zetel bij de Provinciale Statenverkiezingen in maart volgend jaar verliest.

Zodra de coalitie de oppositie dan om steun vraagt, wil in ieder geval initiatiefnemer GroenLinks de wet gebruiken als wisselgeld.