Mbo'ers met een niet-westerse migratieachtergrond moeten nog vaak meer moeite doen voor een stageplek dan hun autochtone medestudenten. Dat blijkt uit onderzoek waarover onderwijsminister Ingrid van Engelshoven de Tweede Kamer informeert.

Minder dan de helft van de studenten met een niet-westerse achtergrond vindt in één keer een stageplek, terwijl dat bij autochtone studenten om 68 procent gaat.

Bijna een kwart moet vier keer of vaker solliciteren. Van de autochtone studenten heeft maar ongeveer een op de tien daar vier pogingen of meer voor nodig.

Van Engelshoven spreekt van ''een onaanvaardbare situatie'' en neemt maatregelen zoals het organiseren van bedrijfsbezoeken, waarbij bedrijven en studenten elkaar kunnen leren kennen. Ook komen er trainingen en een campagne om het al bestaande meldpunt stagediscriminatie meer naamsbekendheid te geven.

Het is al langer bekend dat jongeren met een niet-westerse achtergrond meer moeite moeten doen om een stageplek te vinden. Zo bleek in 2016 dat bijvoorbeeld meisjes met een hoofddoek benadeeld werden. De toenmalige minister van Onderwijs, Jet Bussemaker, noemde dit net als Van Engelshoven "ontoelaatbaar".

Niet alleen discriminatie

Werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland erkennen dat discriminatie voorkomt en willen dat samen met de mbo's tegengaan. Wel vinden ze het te kort door de bocht om de moeizamere zoektocht van studenten met een niet-westerse migratieachtergrond volledig op discriminatie te gooien.

Zo stellen de werkgeversorganisaties dat studenten uit niet-westerse landen vaker studies kiezen met een minder goed perspectief op werk. Bovendien missen zij vaak een persoonlijk netwerk dat hen aan een stageplek kan helpen. Ook zouden ze minder snel om hulp vragen.