De fractievoorzitters van Provinciale Staten van Drenthe komen zaterdagmiddag om 17.00 uur bij elkaar voor spoedberaad over Jacques Tichelaar, de in opspraak geraakte Commissaris van de Koning.

De fractievoorzitters hadden gevraagd om het overleg zodat Tichelaar tekst en uitleg kan geven over de berichten dat hij zijn schoonzus bevoordeeld zou hebben bij een aanbesteding van de provincie, aantijgingen die hij overigens ontkent.

Tichelaar zou zijn schoonzus, interieurontwerpster Karin Klinkenberg, naar voren hebben geschoven voor het herinrichtingsadvies van Huize Tetenrode dat eigendom is van de provincie, dat melden de Volkskrant en het Dagblad van het Noorden na gezamenlijk onderzoek.

Volgens de uitleg van Tichelaar had aanvankelijk de nieuwe huurder van het pand, Projectenbureau Drenthe, een andere ontwerpster de opdracht gegeven. Toen bleek dat dat niet de taak van de huurder was maar van de eigenaar van het pand (de provincie), is de opdracht ingetrokken. De betreffende ontwerpster is met 3500 euro schadeloos gesteld wegens derving van inkomsten, legde Tichelaar uit.

Het zoeken naar een andere ontwerper is "afgehandeld in ambtelijk mandaat", aldus Tichelaar. Daar rolde Klinkenberg uit. Zij verdiende 3.100 euro met de opdracht.

Eerste presentatie

"Pas later in het traject, bij het maken van de afspraken voor de eerste presentatie, werd ambtelijk duidelijk dat het om familie ging", aldus Tichelaar. 

Uit een e-mail in handen van de kranten blijkt wat anders. De huisvestingscoördinator van de provincie schreef: "Onze CdK had intussen aan mijn collega gevraagd om wat te gaan doen en heeft interieuradviseur Karin Klinkenberg gevraagd te adviseren".

Coevorden

In 2013 raakte Tichelaar al een keer in opspraak toen hij zich als bemiddelaar bemoeide met een conflict tussen zijn zwager en de gemeente Coevorden. Zijn zwager eiste toen 1,5 miljoen euro van de gemeente.

Tichelaar gaf later toe dat hij zich beter niet had kunnen mengen in het conflict maar dat hij "zuiver en integer" te werk was gegaan. Hij beloofde toen aan de Provinciale Staten zich niet meer te bemoeien met zaken waar mogelijk een familielid bij betrokken was.