Minister Jet Bussemaker (Onderwijs) wil schoolleiders en docenten meer betrekken bij onderwijsvernieuwingen.

Dat zegt ze vrijdag tegen NU.nl in reactie op een kritisch rapport van de Onderwijsraad.

De Onderwijsraad evalueerde de uitkomsten van de commissie-Dijsselbloem, die in 2009 onderzoek deed naar de gevolgen van de onderwijsvernieuwingen in de jaren negentig.

Veel hervormingen bleken slecht uit te pakken, zo concludeerde Dijsselbloem, omdat de politiek zich te veel inhoudelijk met het onderwijs wilde bemoeien en de schoolleiding en leraren niet werden betrokken.

De Onderwijsraad concludeerde dat het effect van de aanbevelingen van de commissie-Dijsselbloem beperkt is geweest.

De politiek zou zich nog steeds 'intensief' met het onderwijs bemoeien, maar discussies over brede stelselwijzigingen juist uit de weg gaan. Hierdoor daalt het vertrouwen van het onderwijsveld in de politiek. 

Als voorbeelden van doorgeslagen overheidsbemoeienis noemde de Onderwijsraad de verplichte maatschappelijke stage, de urennorm en het onlangs door staatssecretaris Sander Dekker gepresenteerde voorstel voor een verplicht anti-pestprogramma.

U bemoeit zich nog altijd te veel met het onderwijs.

"Ik herken me niet in die conclusie. Ik heb uitgebreid met de Onderwijsraad gesproken over hun advies en zij zeggen dat de leraren zich heel erg herkend hebben in de conclusie van de commissie-Dijsselbloem destijds." 

"Maar tegelijkertijd hebben de conclusies ook tot een soort spanning geleid waardoor de overheid zich bijna niet meer met het onderwijs durft te bemoeien. Daar moeten we van af."

"De politiek moet zich bemoeien met waar ze over gaan, met name het stelsel. Niet met al te kleine dingen. Ze noemen daarbij de maatschappelijke stage, die is ook afgeschaft."

Ze noemen ook het anti-pestprogramma.

"Dat noemen ze ook, maar ze noemen ook dingen die goed gaan, zoals het programma tegen vroegtijdig schoolverlaten. Bij uitstek een thema waar de politiek zich mee moet bemoeien, maar wat je wel samen met het onderwijsveld moet oppakken."

Betekent dat ook dat het antipestprogramma weer van tafel gaat?

"Daar komt de staatssecretaris nog met een brief over."

"Wat ik heel interessant vind aan het rapport is dat we op een andere manier met het veld moeten omgaan. We moeten niet alleen praten met de onderwijskoepels en de vakbonden, maar ook met schoolleiders en leraren. Dat hebben we al ingezet."

Hoe kan het dat u zegt daar mee bezig te zijn, maar dat de raad toch concludeert dat de overheid nog te weinig het onderwijspersoneel betrekt bij belangrijke besluiten.

"Zij kijken terug. Ze constateren ook dat er al veel veranderd is, maar het gaat niet van de ene op de andere dag. Wij moeten leraren ook stimuleren om van zich te laten horen."

Welke conclusies neemt u over?

"Dat als wij ons met het onderwijs bemoeien, we goed na moeten denken of dat binnen het stelsel past en of dat ook uitvoerbaar is."

"En ik ga verder de conclusie uitwerken dat we nog meer schoolleiders en scholen betrekken zonder dat je als overheid niks meer mag doen als het niet breed gedragen wordt. Ik kan nog steeds zeggen: dit is mijn verantwoordelijkheid. Maar je moet goed weten wat de effecten zijn in de uitvoering."

Is dit ook iets wat de Tweede Kamer zich aan moet trekken? Die hebben snel de neiging ergens iets van te vinden en beleid te eisen.

"Ik ga er vanuit dat de Tweede Kamer hier zelf naar gaat kijken en ik ben zeer bereid hierover het debat aan te gaan. En dat gaat vast en zeker gebeuren."

Maar ziet u het als een stimulans, ook voor de Kamer, om af en toe wat afstand te nemen en niet gelijk in actie te komen?

"Ik zie het als een stimulans voor departement en Kamer om goed na te denken als we voorstellen doen of we daarvoor goede gronden hebben en of ze passen bij onze verantwoordelijkheid voor het stelsel. Of we ons vergewist hebben of het uitvoerbaar is. En dat we erover in gesprek gaan met schoolleiders en docenten."