Journalisten krijgen een wettelijk recht op bronbescherming. Dat verschoningsrecht is echter niet onbeperkt. 

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waardoor openbaring van de bron noodzakelijk is, bijvoorbeeld met het oog op de nationale veiligheid of om ernstige strafbare feiten te voorkomen of te beëindigen.

De rechter bepaalt uiteindelijk of het beroep op bronbescherming terecht was.

Dat blijkt uit een wetsvoorstel dat minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie) maandag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. De regeling erkent de bijzondere positie van journalisten in het publieke debat.

In de praktijk komt het erop neer dat journalisten in een strafzaak geen vragen hoeven te beantwoorden over de identiteit van hun bron. Getuigen zijn normaal gesproken verplicht te antwoorden. Maar het maatschappelijk belang dat iemand zonder vrees voor vervolging informatie moet kunnen geven aan journalisten, moet in het algemeen zwaarder wegen.

Publicisten

Bronbescherming geldt straks niet alleen voor mensen die zich beroepsmatig met nieuwsgaring bezighouden, maar ook voor publicisten die schrijven over actuele onderwerpen.

Er komen verder striktere regels voor het gebruik van dwangmiddelen tegen journalisten en publicisten in een strafzaak. Het doorzoeken van een kantoor en het in beslag nemen van voorwerpen mag alleen na toestemming van en in aanwezigheid van een rechter-commissaris, en niet meer op gezag van een officier van justitie.

Kritiek

De Raad van State kraakt enkele kritische noten over het voorstel. Wat de belangrijkste adviseur van het kabinet betreft vallen alleen journalisten onder het recht op verschoning.

De raad is voorstander van een 'restrictieve' formulering van het recht op bronbescherming, gezien de verstrekkende gevolgen, waarbij 'bepaalde personen een en geprivilegieerde positie krijgen ten opzichte van andere burgers op wie in beginsel de plicht rust getuigenverklaringen af te leggen'. 

Ook is het onduidelijk wie als 'publicist' moet worden aangemerkt. "Het gaat om een niet helder afgebakende beroepsgroep." Bovendien gaat het kabinet hiermee verder dan het Europese Hof, aldus de Raad van State.