De politie lijkt weinig te verwijten in de aanpak van seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk, zo laat het ministerie van Veiligheid en Justitie donderdag weten. 

In de periode 1945-1980 zijn ernstige zedenzaken ''in het algemeen serieus behandeld en meldingen en aangiftes doorgaans nauwgezet geregistreerd''.

Dat is de indruk die speciaal aangewezen onderzoekers hebben gekregen, aldus het departement. Volgens de onderzoekers is ook ''niet aannemelijk dat er in deze periode sprake was van een doofpotcultuur bij de politie.''

Het 'verkennend' onderzoek is verricht door Maarten van Boven, voormalig algemeen rijksarchivaris, en Freek Koster, oud-vicepresident van de Hoge Raad der Nederlanden. Ze keken aan de hand van verhalen van slachtoffers in politiearchieven, bestudeerden de wijze van registratie en spraken met oud-politiemensen die destijds waren belast met zedenzaken.

De archieven waren echter niet meer compleet en de gevonden informatie was over het algemeen ook nogal karig. De onderzoekers zien niet veel meer in uitgebreider onderzoek, omdat dat waarschijnlijk geen goed beeld kan opleveren.