Minister Ivo Opstelten van Veiligheid en Justitie gaat voorlopig niet met nabestaanden van de Molukse kapers van de trein bij De Punt om de tafel.

Wel zal de minister in het kader van het archiefonderzoek naar het gewelddadige einde van de kaping in 1977 een informeel en informatief gesprek voeren met een ''brede Molukse delegatie'', meldt een woordvoerder van het ministerie donderdag.

Opstelten vindt het belangrijk om de opzet van het onderzoek persoonlijk toe te lichten aan de Molukse gemeenschap, zo zei de woordvoerder.

Maar hij vindt het ''niet passend en niet verstandig'' als in de delegatie ook betrokkenen zitten die een zaak tegen de Staat willen aanspannen vanwege het geweld dat het leger bij de beëindiging van de kaping gebruikte.

Bij de bevrijding van de trein kwamen zes kapers en twee passagiers om het leven.

Buitensporig geweld

Volgens journalist Jan Beckers, nabestaanden van de gedode kapers en ex-kaper Junus Ririmasse heeft het leger indertijd buitensporig veel geweld gebruikt.

Zij deden drie jaar onderzoek naar de afwikkeling van de kaping en concluderen dat mariniers drie en mogelijk vier nog levende en gewonde Zuid-Molukse activisten hebben geëxecuteerd. Hun advocaat Liesbeth Zegveld bereidt met de nabestaanden een zaak voor tegen de Nederlandse staat.

Opstelten en minister Jeanine Hennis-Plasschaert (Defensie) besloten in december tot een ''nader archiefonderzoek'' na vragen van de Tweede Kamer. De Molukse stichting Buat is gevraagd om een delegatie samen te stellen voor het gesprek met Opstelten, dat medio maart moet gebeuren.

''Het is pijnlijk en betreurenswaardig dat de nabestaanden worden buitengesloten'', vindt Beckers. Beckers, maar ook Ririmasse en Nona Lumalessil, de zus van de in 1977 omgekomen kaper Ronny Lumalessil, stellen dat de families van de gedode kapers zich niet vertegenwoordigd voelen door Buat. ''Na 37 jaar worden we opnieuw genegeerd en gepasseerd.''

De treinkaping bij De Punt begon op 23 mei 1977 en eindigde twintig dagen later met een bestorming door het leger.