Van elke euro die de Nederlandse overheid jaarlijks uittrekt voor ontwikkelingshulp, blijft bijna 15 procent binnen de landsgrenzen.

Dat zegt het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Het geld wordt in Nederland gebruikt voor administratieve kosten, beurzen voor studenten uit ontwikkelingslanden, eerstejaarsopvang voor asielzoekers uit ontwikkelingslanden, publieksvoorlichting en kwijtschelding van schulden van landen.

Het ministerie reageert daarmee op cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD) en de Britse krant The Guardian.

Volgens het economisch samenwerkingsverband tussen 34 welvarende landen en de krant werd in 2012 zelfs 23,6 procent van het totaal aan hulpgeld uitgegeven in eigen land, maar dat is volgens een woordvoerder van het ministerie niet juist. In 2012 ging het om 14,8 procent, aldus het departement.

Bilaterale hulp

''Het artikel van The Guardian spreekt alleen over bilaterale hulp en komt daardoor hoger uit. Multilaterale hulp, bijvoorbeeld via internationale organisaties van de VN, wordt door de krant buiten beschouwing gelaten'', aldus het ministerie.

In 2012 trok Nederland 4,38 miljard euro uit aan ontwikkelingshulp, in 2013 was dat iets minder. Dat geld is bedoeld om landen die ''sommige problemen niet in hun eentje kunnen oplossen’’ te helpen, zo schrijft de overheid.

''Het is niet slecht dat die dingen gebeuren; het is bijvoorbeeld prima dat er vluchtelingen worden opgevangen en mensen worden voorgelicht. Maar volgens ons zou het uit een ander budget moeten komen'', legt Jaroen Kwakkenbos uit.

Hij werkt bij Eurodad, een in Brussel gevestigde organisatie die zich bezighoudt met schulden, ontwikkelingshulp en armoedebestrijding. Er bestaat volgens hem een schaduwgebied, omdat niet precies duidelijk is hoe het geld wordt besteed. Een Nederlands bedrijf dat geld krijgt voor een hulpproject, kan dat ook anders inzetten.

'Binnenshuis'

Volgens het ministerie voldoen de uitgaven ''aan de huidige criteria van de OESO en worden dus meegeteld in de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking, ongeacht uit welk budget van welk ministerie de middelen afkomstig zijn''.

In totaal stelden de leden van de OESO in 2012 ongeveer 75 miljard euro beschikbaar als bilaterale ontwikkelingshulp. Bijna 82 procent van dat geld kwam aan in ontwikkelingslanden. Er zijn echter ook landen waar een veel kleiner percentage van het geld de grens passeert. Griekenland exporteert minder dan 10 procent van het hulpbudget, Oostenrijk een kleine 40 procent en Italië zo’n 55 procent. De rest wordt 'binnenshuis’ ingezet.