In de Tweede Kamer bestaat een ruime meerderheid voor het kabinetsplan om scholen niet langer te verplichten een maatschappelijke stage te organiseren voor hun leerlingen. 

Behalve de regeringspartijen VVD en PvdA zijn ook de PVV en D66 ervoor om de stages niet langer verplicht te stellen.

VVD en PvdA spraken in het regeerakkoord af de verplichte stages af te schaffen. Dat levert op termijn een jaarlijkse besparing van 75 miljoen euro op. Volgens het kabinet is de stage, waarbij leerlingen onbetaald een bijdrage leveren aan de samenleving, heel goed opgepikt door scholen en is de verplichting niet nodig.

Inmiddels biedt 70 procent van de scholen de stage aan aan hun leerlingen. Meer dan de helft van de scholen wil dat ook blijven doen als ze dat niet meer verplicht zijn.

Partijen als het CDA, ChristenUnie en de SP zijn fel tegen het terugdraaien van de verplichting. Ook organisaties als de Hartstichting, het Nationaal Ouderenfonds, Natuurmonumenten, Scouting Nederland en Staatsbosbeheer zijn er voor om de stage verplicht te houden.

Facultatief

Staatssecretaris Sander Dekker van Onderwijs, verantwoordelijk voor de plannen, legde in het Kamerdebat uit dat stages voor scholen facultatief worden. ''Als scholen er aan gewend zijn, staat niets ze in de weg ermee door te gaan.''

Maar sommige scholen doen het met tegenzin en hoeven er niet mee door te gaan. Scholen mogen zelf kiezen wat ze doen. ''Dat is het Bananarama-effect: It ain't what you do, it's the way that you do it.''

Dekker regelt in zijn wetsvoorstel dat wie een maatschappelijke stage volgt dat met een cijfer op zijn rapport kan beoordelen, mits de stage ''iets voorstelt'' en minimaal dertig uur heeft geduurd.

De verplichte stage werd in 2011 ingevoerd. De afgelopen jaren deden er jaarlijks meer dan 200.000 jongeren aan mee.