Er komt geen landelijke kleutertoets. Een meerderheid in de Tweede Kamer is tegen een toets en vindt dat scholen zelf moeten bepalen hoe ze de ontwikkeling van hun kleuters volgen.

Een motie van CDA, SGP, SP, ChristenUnie en GroenLinks kreeg dinsdag een meerderheid in de Kamer doordat ook D66 en de PvdA ervoor stemden.

De partijen vinden dat kleuters vanwege hun ''grillige ontwikkeling'' moeilijk betrouwbaar zijn te toetsen en dat observeren beter werkt. De inspectie heeft als uitgangspunt dat scholen pas aan de eisen voldoen als ze een landelijk genormeerde kleutertoets houden.

Maar de Kamer heeft daar nooit een besluit over genomen en ook staatssecretaris Sander Dekker van Onderwijs heeft toegegeven dat een toets niet verplicht is omdat er geen wettelijke basis voor is in de onderwijswetgeving.

Dekker is op zich voorstander van een toets, maar zei vorige week in de Kamer al dat hij zou gaan bekijken of die nu echt wel nodig is. Hij is ook bereid te bekijken of de inspectie een test wel mag verplichten of niet.

Leerlingvolgsysteem

Een woordvoerder van Dekker zei in een toelichting dat de meeste scholen op dit moment al met een test voor kleuters werken als onderdeel van hun 'leerlingvolgsysteem'. De verwachting is dat ze dat ook blijven doen, of een test nou verplicht is of niet.

Sectororganisatie PO-raad en populaire toetsenmaker Cito reageerden tevreden. ''Toetsing is op zich natuurlijk goed: kijken of de lesstof goed is overgekomen op een leerling'', aldus een woordvoerder van de raad.

''Maar we laten een leraar of school liever zelf een toets uitkiezen die aansluit bij de klas en op een natuurlijk moment kan plaatsvinden.''

Zonder verplichting blijft de toets ''waar hij voor bedoeld is: een hulpmiddel voor de leerkracht, geen afrekeninstrument'', stelt een zegsvrouw van Cito. Juist zonder verplichting kan het meest rekening worden gehouden met de kleuter zelf.

''Komt hij of zij ineens met rare antwoorden, die klassikaal allang goed gaan? Dan probeert de juf het over twee maanden toch opnieuw.'' Ook als ''het konijn van een kind net is doodgegaan'', hoeft een tegenvallende score geen punt te zijn, aldus Cito.

Cito-score

De Kamer besloot dinsdag verder dat Dekker niet mag mikken op een hogere Cito-score voor basisschoolleerlingen.

In zijn begroting had Dekker geschreven dat de gemiddelde score van de Cito-eindtoets van 535,5 naar 537 moet stijgen. De Tweede Kamer besloot dinsdag echter om dat deel van de tekst te schrappen.

PvdA-Kamerlid Loes Ypma vindt dat ''sturing op gemiddelde Cito-score geen recht doet aan verschillen tussen leerlingen en aan de stimulerende rol van het basisonderwijs om kinderen hun talenten te laten ontwikkelen''.

D66-Kamerlid Paul van Meenen is het daar roerend mee eens. Hij vreest dat dit soort afspraken leidt tot meer testtrainingen voor leerlingen en selectie aan de poort bij scholen.

Motie

GroenLinks, CDA, SP, ChristenUnie en SGP hadden zelf ook een motie ingediend om van de verhoogde Cito-score af te zien. Ook die haalde het. Zij vinden net als PvdA en D66 dat de Cito-toets is bedoeld als tweede oordeel over een kind, naast het schooladvies van een docent.

De Cito-toets is volgens de partijen niet gemaakt om de kwaliteit van het onderwijs te meten.

Dekker zei eerder in het debat al dat de Cito-scores inderdaad niet alles zeggen over de kwaliteit van het onderwijs. ''Dat is breder dan alleen taal en rekenen'', zei de staatssecretaris.

Hij wilde echter niet af van het gebruik van een doelstelling voor het verhogen van de Cito-scores, omdat dit nu de enige indicator is voor de verbetering van het onderwijs.

Dekker wil graag werken aan alternatieven om de leeropbrengsten van het onderwijs te meten, maar zover is het nu nog niet. Ondanks zijn betoog dwingt de Kamer hem nu toch de doelstelling te schrappen.