Er komt een onderzoek naar de inzet van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw tegen Roel van Duijn, indertijd bekend van de Provo en de Kabouterbeweging.

Minister Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken) heeft dat donderdag aan de Tweede Kamer laten weten

Het onderzoek moet uitwijzen of tegen Van Duijn ook 'bijzondere inlichtingenmiddelen' zijn ingezet zoals tappen, observeren of volgen.

Plasterk had Van Duijn eerder laten weten dat hij weliswaar jarenlang de aandacht had van de BVD, maar dat de bijzondere middelen nooit zijn ingezet.

Van Duijn gelooft dat niet en stelt dat de BVD hem onrechtmatig en onbehoorlijk heeft behandeld. Plasterk laat daarom een speciale commissie de zaak nog eens onderzoeken om voor eens en altijd duidelijkheid te krijgen.

Ingestemd

Van Duijn heeft ingestemd met het onderzoek, maar tevreden is hij nog lang niet. Volgens hem vallen de lokale geheime politiediensten en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst buiten het onderzoek, terwijl die volgens hem ''waarschijnlijk het grootste aandeel hebben gehad in deze marathonheksenjacht."

"Nu deze beperkingen aan het onderzoek worden opgelegd, wekt het de schijn van een gehandicapt foponderzoek'', concludeert Van Duijn.