DEN HAAG - Nederland had kunnen weten dat de Libische vluchteling Muhammed Abu Farsan door zijn uitzetting naar Soedan in augustus 2004 uiteindelijk weer in Libië terecht zou komen, waar hij kon worden gemarteld.

Dat stelt mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch in een rapport dat donderdag is gepubliceerd. De organisatie wil dat de Nederlandse overheid een onderzoek gaat doen naar de uitlevering van de Libiër.

Farsan maakte deel uit van een gewapende islamistische beweging met de naam Libyan Islamist Fighting Group (LIFG). Deze beweging werd ervan verdacht banden te hebben met terreurorganisatie al-Qaeda. De leden verzetten zich jarenlang tegen het regime van de Libische dictator Muammar Kaddafi, dat vorig jaar ten val kwam.

Farsan vloog begin 2004 van China naar Marokko met een tussenstop in Nederland. Hier vroeg hij asiel aan. Na zes maanden werd zijn aanvraag afgewezen en werd Farsan uitgewezen naar Soedan, omdat hij in het bezit was van een Soedanees paspoort.

Isolatie

Na aankomst in Soedan zou hij meerdere malen zijn ondervraagd door een medewerker van de Amerikaanse inlichtingendienst CIA. Na twee weken werd hij samen met zijn vrouw en kind uitgezet naar Libië.

Daar werd hij 16 maanden in isolatie opgesloten in een kleine cel. Zijn familie kreeg hij niet meer te zien. Daarna werd hij tot zijn vrijlating in februari 2011 vastgehouden in verschillende gevangenissen.

Rapport

De kwestie rond Farsan staat in een ruim 150 pagina's dik rapport van Human Rights Watch, waarin vooral de Verenigde Staten een veeg uit de pan krijgen. Ten tijde van de regering van president George W. Bush zouden opgepakte tegenstanders van Kaddafi zijn gemarteld en uitgeleverd aan Libië, terwijl duidelijk was dat de arrestanten daar slecht behandeld zouden worden.

Ook zou de CIA zich vaker schuldig hebben gemaakt aan het zogeheten waterboarding, dan tot nog toe werd toegegeven. De huidige regering van president Barack Obama wordt door de mensenrechtenorganisatie opgeroepen een grootschalig onderzoek te doen naar de Amerikaanse praktijken.

Tripoli

Human Rights Watch baseert zich op documenten die in Tripoli werden aangetroffen in een gebouw van een inlichtingendienst na de val van het Kaddafi-bewind .

Ook sprak de organisatie met 14 voormalige gevangenen over hun ervaringen. Allemaal hadden zij aangegeven te vrezen voor marteling als ze terug moesten naar Libië. Landen als Afghanistan, Mali, China, Hongkong, Groot-Brittannië en Thailand besloten hen ondanks dat, toch terug te sturen.