DEN HAAG - De Eerste Kamer heeft zich dinsdag zeer kritisch opgesteld tegenover de nieuwe wet Onderwijstijd.

Partijen als de SP en D66 stelden minister Marja van Bijsterveldt (Onderwijs) voor om de wet in te trekken. De VVD, PvdA, GroenLinks en ChristenUnie uitten ook hun bedenkingen.

''Er is geen draagvlak in de sector, dat is reden genoeg om de wet aan te houden'', aldus Eric Smaling, senator voor de SP. ''Er is geen noodzaak voor deze wet'', zei Ruard Ganzevoort van GroenLinks. ''We hebben de nodige reserves bij dit voorstel'', constateerde Roel Kuiper van de ChristenUnie.

De minister stelde de onderwijssector tekort te doen als ze de wet zou intrekken. ''Daar help ik niemand mee'', aldus Van Bijsterveldt. Ze zei dat de wet, die onder meer een urennorm bevat, goed is voor de kwaliteit van het onderwijs.

Ook hecht ze eraan om ouders en leerlingen inspraak te geven over de invulling van het onderwijs, iets wat niet in de oude wet staat.

Milder

Aan het eind van het debat, na toezeggingen van de minister over het instemmingsrecht van ouders en leerlingen, toonde de VVD zich een stuk milder. ''Al luisterend naar de minister hebben we een iets positievere insteek gekregen, maar ik blijf het voorstel absoluut niet fraai vinden'', zei VVD-senator Heleen Dupuis.

In de wet wordt geregeld dat leerlingen op de middelbare school in de eerste twee schooljaren 1040 uur onderwijs krijgen. Een deel daarvan wordt maatwerk, bijvoorbeeld voor het bijspijkeren van leerlingen met een achterstand. Ook is in de wet medezeggenschap voor ouders en leerlingen vastgelegd en worden de roostervrije dagen ingepland.

 Klachten

De wet is opgesteld nadat het ministerie werd overspoeld met klachten van leerlingen en ouders die minder les kregen dan de wet voorschreef.

Ook verzetten veel scholieren zich tegen zogenoemde ophokuren: uren die wel meetellen, maar waarin geen les wordt gegeven.

Het wetsvoorstel is toch zeer omstreden geraakt. Leraren gingen massaal de straat op tegen de wet nadat deze in de Tweede Kamer was aangenomen. Een aanpassing van de PVV - om de norm niet op 1000 uur, maar op 1040 uur te stellen - zorgde daar toch nog voor een meerderheid.

De Eerste Kamer stemt volgende week over het wetsvoorstel.