DEN HAAG - De betrokkenheid van Nederland bij de Joint Strike Fighter (JSF) neemt dit jaar verder toe zonder dat duidelijk is hoeveel de mogelijke opvolger van het gevechtsvliegtuig F-16 gaat kosten en hoeveel toestellen er nodig zijn om aan de ambities van Defensie te kunnen voldoen.

Daaraan kleeft een risico, aldus de Algemene Rekenkamer donderdag in een jaarlijks rapport over de stand van zaken rond de vervanging van de verouderde F-16.

Het kabinet is van plan dit jaar een tweede JSF-testtoestel aan te schaffen. Een definitief besluit over de opvolger van de F-16 wordt, zo is in het regeerakkoord afgesproken, niet deze kabinetsperiode genomen. Het ministerie van Defensie acht de JSF de meest geschikte opvolger.

Binnenkort stuurt minister Hans Hillen (Defensie) een brief naar de Tweede Kamer met daarin de noodzakelijke bezuinigingen en de ambities voor de toekomst.

Vertragingen

Volgens de Rekenkamer zouden kabinet en parlement er goed aan doen eerst de balans op te maken van financiële mogelijkheden en ambities voordat verdere stappen worden gezet rond de vervanging van de F-16. Vertragingen bij het JSF-programma maken dat ook mogelijk.

Wel wijst de Rekenkamer erop dat langer doorvliegen met F-16's ook een prijskaartje heeft. Hoe hoog de extra kosten zijn, is nog niet duidelijk.

Vorige week liet minister Hillen de Tweede Kamer weten dat de verwachte kosten voor het onderhoud en het gebruik van de JSF gedurende dertig jaar oplopen tot 11,3 miljard euro. Bij dat bedrag wordt uitgegaan van 85 toestellen, zoals ooit de bedoeling was.

Hogere prijs

Eind vorig jaar werd bekend dat de geraamde prijs van 85 JSF-toestellen 1,4 miljard euro hoger uitpakt dan de 6,2 miljard euro waar Defensie tot dan toe van uitging.

Nederland doet sinds 2002 mee met de ontwikkeling van de JSF en krijgt in ruil voor de investeringen van 800 miljoen euro, opdrachten voor de luchtvaartindustrie terug.