Een Britse kunsthistoricus heeft negen eeuwen na de bouw een opmerkelijke ontdekking gedaan in de wereldberoemde kathedraal van Santiago de Compostella. In een van de honderden pilaren is 13 meter boven de grond een mannenfiguur ontdekt. Het gaat vermoedelijk om een zelfportret van een van de steenhouwers die aan het gebouw werkten.

Aan middeleeuwse godshuizen werkten vaak tientallen steenhouwers, die nergens in de geschiedenisboekjes werden vermeld. De kerk stelde ook geen lijsten op met de namen van de mensen die aan de gebouwen werkten.

Maar soms vereeuwigde zo'n steenhouwer zichzelf, ergens buiten het zicht van de vaste bezoekers van de kerk. Dit figuur, boven op een van de pilaren, is zo'n 30 centimeter groot.

"Meestal zijn dit soort 'selfies' weggestopt in de donkere hoeken, waar ze alleen maar gezien werden door andere steenhouwers", legt Jennifer Alexander, professor aan de University of Warwick, uit aan The Observer. "Het is een bijzondere connectie die iemand in de twaalfde eeuw heeft gemaakt met latere onderzoekers. Al had hij vermoedelijk geen idee dat het negenhonderd jaar zou duren voordat zijn afbeelding werd opgemerkt."

Alexander is een van de grootste kenners van middeleeuwse architectuur en is gespecialiseerd in oude kerken en kathedralen. Zij verricht momenteel een groot onderzoek naar de structuur van de kathedraal in Santiago de Compostella en de gebruikte bouwmethodes.

De bouw van dit godshuis begon in de elfde eeuw. De kathedraal geldt als een van de bijzonderste romaanse gebouwen. Volgens een legende bevindt het graf van de apostel Jakobus, een van de discipelen van Jezus, zich in de kerk.