De invoering van het minimumloon in Duitsland is niet de doodsteek voor de flexibiliteit van de Duitse arbeidsmarkt.

Dat stelt ING-hoofdeconoom Carsten Brzeski van de Duitse bankdochter ING-DiBa in een interview met NU.nl.

Afgelopen juli stemde het Duitse parlement in met een nationaal minimumloon. Vanaf dit jaar verdient elke volwassen Duitse werknemer minstens 8,50 euro per uur. Voorheen werden de lonen door werkgevers en werknemersorganisaties per sector en per gebied afgesproken.

Denemarken, Italië, Cyprus, Oostenrijk, Finland en Zweden zijn vanaf dit jaar nog de enige EU-lidstaten zonder een nationaal wettelijk minimum. De Cypriotische overheid stelt wel minimumlonen vast voor specifieke beroepen. In de andere landen wordt de hoogte van het loon in sectorspecifieke cao's vastgelegd.

Duitsland is daarmee het tweeëntwintigste EU-land dat een nationaal minimumloon invoert. Ter vergelijking: Nederland voerde eind jaren zestig al een minimumloon van 100 gulden per week in.

Lang geduurd

Brzeski heeft wel een idee waarom Duitsland een van de laatste Europese landen is die overstag gaat. Dat de lonen per sector en per regio werden bepaald, was juist "een sterk punt van de Duitse arbeidsmarkt", legt de econoom uit.

De lonen konden precies afgestemd worden op omringende regio's. Dat versterkte de concurrentiepositie. "Zo'n kracht geef je niet snel op."

Ook de industriële sector zette de politiek onder druk. Producenten hadden het over een dreigend verlies van miljoenen banen richting lagelonenlanden.

“Er waren nog nooit zoveel mensen met een baan, maar hun lonen stegen niet”
Econoom Carsten Brzeski

Welvaartskloof

Een nationaal minimumloon was een harde eis van de sociaal-democratische partij SPD. Alleen met die toezegging wilde de partij in 2013 een coalitie vormen met Angela Merkels conservatieve CDU en zusterpartij CSU.

Dat het wetsvoorstel het uiteindelijk zou gaan halen, verraste de in West-Berlijn geboren Brzeski niet. De discussie over een groeiende welvaartskloof die afgelopen jaar in Nederland woedde, werd volgens de econoom al eerder in Duitsland gevoerd. "Het gaat goed met Duitsland, maar de welvaart is niet goed verdeeld", was de gedachte.

Bondskanselier Gerhard Schröder startte rond de eeuwwisseling met een reeks drastische hervormingen van de arbeidsmarkt. Daarna veranderde het land van de "zieke man van Europa" in de sterkste economie van de EU. Er werd zelfs gesproken van een Wirtschaftswunder 2.0, een knipoog naar het snel herstellende Duitsland van vlak na de Tweede Wereldoorlog.

Logisch

"Er waren nog nooit zoveel mensen met een baan, maar hun lonen stegen niet", legt de hoofdeconoom uit. "Zo'n zes tot zeven miljoen mensen in het lagelonensegment mochten niet meeprofiteren." Hij noemt het "politiek logisch" dat er nu iets voor de onderkant van de arbeidsmarkt geregeld wordt.

"Zeker de Duitse industrie heeft goede winsten geboekt. De werknemers een beetje laten meeprofiteren is geen slecht signaal."

Wel heeft hij kritiek op de context waarin die beslissing is genomen. Niet alleen het minimumloon werd vastgesteld, maar ook het pensioen ging omhoog, de pensioenleeftijd ging omlaag en moeders kregen geld om thuis te mogen blijven. Die verzameling "cadeautjes" ziet de econoom als slecht economisch beleid. "Maar ik zie wel waar het vandaan komt."

Hoogte

De verschillen tussen de EU-landen zijn groot. Luxemburgers verdienen maandelijks ten minste 1.921 euro, terwijl Bulgaren minimaal 174 euro ontvangen.

Luxemburg heeft binnen de EU het hoogste minimumloon, gevolgd door België en Nederland. Samen met Ierland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zijn dit de EU-landen waar inwoners meer dan 1.000 euro per maand verdienen. Ook Duitsland hoort in deze categorie thuis.

Met minimumlonen van tussen de 500 en 1.000 euro zitten Slovenië, Spanje, Malta, Griekenland en Portugal in het midden. Polen, Kroatië, Estland, Slowakije, Hongarije, Letland, Tsjechië, Litouwen, Roemenië en Bulgarije bungelen onderaan met maandlonen van minder dan 500 euro per maand.

Het Duitse bedrag van 8,50 per uur ligt iets onder het Nederlandse minimum. Een Nederlander die veertig uur per week werkt, verdient vanaf 2015 elk uur minstens 8,66 euro. Een werknemer met een 36-urige werkweek verdient ten minste 9,63 euro.

Gemiddeld

Brzeski kijkt liever naar hoe het minimumloon zich verhoudt tot het gemiddelde loon dat in een land wordt verdiend. Het uurloon van 8,50 euro per uur komt neer op 53 procent van wat Duitsers gemiddeld verdienen. In veel andere landen ligt het uurloon relatief lager. Veel werkgevers vinden het uurloon daarom aan de hoge kant.

'Duitsland bereidt zich voor op een minimumloon-revolutie', kopte persbureau Reuters vorige week nog naar aanleiding van de invoering. Maar zo ver zal het niet komen, denkt Brzeski. Het vastgestelde bedrag geldt vooralsnog alleen voor twee jaar. Per 2017 kan de hoogte weer aan de nieuwe situatie aangepast worden. "Het is nu echt geen ramp voor Duitsland om daar mee te beginnen."

Angst

Verwacht wordt dat de invoering de meeste gevolgen heeft voor bedrijven in het oosten. Daar verdienen medewerkers minder dan het nationale gemiddelde en vallen minder mensen onder een cao. Brancheorganisatie DEHOGA voor hotels en restaurants schat dat de personeelskosten door de invoering in sommige regio's met 20 procent kunnen stijgen.

Over mogelijk banenverlies zijn economen ernstig verdeeld. De voorspellingen lopen uiteen van een kleine impact tot een verlies van 570.000 arbeidsplaatsen en een schadepost van 9,6 miljard euro. De econoom benadrukt dat er veel tegenstrijdige verwachtingen zijn over de impact van een nationaal minimumloon. “Het is ook lastig om een echt objectieve analyse zonder politieke kleur te vinden.

Brzeski denkt niet dat de arbeidsmarkt van Duitsland door de invoering weer zal verstarren, omdat het bedrag daar te laag voor is. Bovendien zijn er uitzonderingen mogelijk.

Zo hoeven jongeren en langdurig werklozen niet minimaal 8,50 euro te verdienen. Daarmee wil de overheid voorkomen dat de arbeidsmarkt weer te inflexibel wordt. Omdat in het verleden juist daar de knelpunten zaten, ziet de Duitse econoom dit als een goede oplossing.

Zwart werk

"Ik denk wel dat je hiermee zwartwerken gaat aanmoedigen", meent de econoom. Door de open grenzen is er meer arbeidsmobiliteit vanuit Oost-Europa en dat levert een gevaar van loondumping op. Veel immigranten zijn bereid om voor een lager loon te werken dan autochtonen. Tegelijkertijd zet de overheid zestienhonderd douane-inspecteurs in om dat te controleren, zegt Brzeski.

“Puur macro geven we wel iets op van onze economische welvaart.”
Econoom Carsten Brzeski

Overigens denkt hij dat een klacht over de invoering van de Nederlandse transportsector bij de Europese Commissie weinig kans van slagen heeft. Brancheorganisatie TLN vindt dat het Duitse minimumloon indruist tegen het Europese vrije verkeer van goederen, omdat ook buitenlandse transportbedrijven onder de regels vallen.

"Ik kan me niet voorstellen dat zulke klachten succes zullen hebben. Bijna alle Europese landen hebben een minimumloon. En alleen omdat Duitsland een groot doorvoerland is, zou het hier niet mogen?", vraagt hij zich hardop af.

Over de gevolgen voor Nederlandse bedrijven maakt Brzeski zich weinig zorgen. "Als er al een loonkloof was, dan wordt die nu iets kleiner." Het zou wat betreft concurrentiepositie juist voordelig voor Nederland kunnen uitpakken. Als een deel van de Duitsers iets meer gaat verdienen, kopen ze misschien wel meer Nederlandse producten.

Doorsnee

Wat de invoering voor de doorsnee Duitser betekent, is volgens de econoom moeilijk te voorspellen. "Het kan op de korte termijn een positieve impuls voor de economie zijn." De prijzen voor diensten, zoals een bezoekje aan de kapper, kunnen door de invoering van het nationaal minumum stijgen.

Als ze even vaak naar de kapper blijven gaan, zal de koopkracht van de kapper op korte termijn groeien. "Dat is positief voor de economie, zolang er wel mensen zijn die de dienst afnemen."

"Op den duur kan het de concurrentiepositie van de Duitse economie ondermijnen." Dan gaat het niet meer om kappers, maar om bedrijven die hoogwaardige goederen of diensten leveren aan de buitenlandse markt. Die kunnen moeilijker concurreren met regio's waar die producten goedkoper geproduceerd kunnen worden.

"Maar dit zal niet op korte termijn spelen, daarvoor is de verhoging te klein", meent Brzeski. "Sociaal-economisch gezien is de herverdeling een heel positief signaal. Maar puur macro geven we wel iets op van onze economische welvaart."