Sinds jaar en dag trekken Nederlandse ondernemers naar het buitenland. Nu de wereldeconomie weer harder aantrekt, is de vraag: waar liggen de kansen? Het ING Economisch Bureau bracht de mogelijkheden voor de maakindustrie in kaart.

In de industrie:

In China en India is een zeer omvangrijke middenklasse ontstaan. “Deze middenklasse hunkert naar meer materiële welvaart en dit biedt kansen voor de Nederlandse industriële ondernemers”, zegt ING. Om daarin te kunnen voorzien, zal steeds vaker de productie in of dichtbij deze landen plaatsvinden. Toch blijft het mogelijk, vooral in nichemarkten waarin hoogtechnologische producten worden gemaakt, om in Nederland gemaakte producten te verkopen. Bijvoorbeeld in Azië of Latijns-Amerika. Verder blijft de opkomst van Azië en Oost-Europa als productielocatie, met een afzet in Europa, doorzetten.

In de landbouw:

Voor de agrarische sector liggen er vooral buiten Europa kansen. Vanwege ons snelgroeiende exportaandeel in ‘agrifood’ naar Rusland en Polen, plus de voorlopig matige groeivooruitzichten in Zuid-Europa, zal de uitvoerfocus van ondernemers nog meer op Oost-Europa, maar ook op Noord-Afrika, het Midden-Oosten en China moeten liggen. De concurrentie neemt toe. Er wordt in toenemende mate geteeld daar waar dat het goedkoopst is. Om te blijven groeien moet je continu investeren in (bij)scholing en automatisering. Ook wordt er van ‘nieuwe boeren’ meer kennis gevergd.

In de bouw:

Door de crisis zijn bedrijven op zoek naar nieuwe afzetmarkten. Traditioneel is de bouw echter een lokale bezigheid. Zo exporteert de Nederlandse sector maar 2,5% van de omzet. Toch zijn er kansen. De bouw onderscheidt zich op de Duitse markt onder andere door een goede logistiek. De Nederlandse flexibiliteit zorgt ervoor dat logistieke processen meer door elkaar heenlopen en hierdoor sneller verricht worden. Verder neemt de laatste jaren in België de bij ons bekende seriebouw van woningen toe. Nederlandse bouwbedrijven hebben hierin grote expertise en ervaring.