AMSTERDAM – Nederland is niet gebaat bij uittreding van Italië, Spanje, Griekenland, Portugal en Ierland uit de euro. Het financiële risico bij uittreding van deze landen bedraagt 339 miljard euro. “Dit is een veelvoud van de mogelijke kosten van het in stand houden van de euro.”

Dat meldt het economisch bureau van de ING dinsdag. De bank blijkt een fel tegenstander van – gedeeltelijke – opbreking van de euro. “Liever oplossen dan opbreken”, zo stelt de ING het dan ook.

De ING berekende de mogelijke financiële gevolgen voor Nederland bij twee scenario’s. In het eerste scenario verlaat alleen Griekenland de euro. In het tweede scenario stappen alle GIIPS-landen (Italië, Spanje, Griekenland, Portugal en Ierland) uit de gezamenlijke Europese munt.

Een Grieks vertrek zou een grote financiële impact hebben. Voor Nederland staat in totaal voor de overheid en private partijen samen 22 miljard euro op het spel: 4 miljard voor privatie partijen en 18 miljard voor de overheid.

"Dat is bijzonder pijnlijk, maar hoeft ons land geen onoverkomenlijke problemen op te leveren. Op het eerste gezicht lijkt een Grieks vertrek dus beheersbaar”, aldus de ING.

Een ander verhaal wordt het wanneer de overige GIIPS-landen Griekenland zouden vergezellen. Dit betekent een verlies voor de Nederlandse overheid van 121 miljard euro (20 procent van het bbp). De private sector heeft 218 miljard euro (36 procent van het bbp) aan claims uitstaan. De helft hiervan is in handen van banken. De andere helft van pensioenfondsen en het niet-financiële bedrijfsleven.

Binnenboord

Ook het binnenboord houden van de perifere eurolanden is niet gratis, erkent de ING. Maar toch kost dit zelfs in een ongunstig scenario beduidend minder dan uittreding. “Hoeveel het overeind houden van de euro Nederland uiteindelijk gaat kosten is ongewis, maar een grove indicatie van de mogelijke directe financiële kosten is wel te geven.”

Wanneer alle riskante buitenlandse schulden (het deel dat boven de 35 procent van het bbp uitkomt) zouden worden kwijtgescholden en de rekening hiervoor volledig op de schouders komt van de ‘kernlanden', dan zouden de kosten voor Nederland 62 miljard euro bedragen, zo berekende de bank.