AMSTERDAM - Het Nederlandse bedrijfsleven is niet warmgelopen voor activiteiten in de Afghaanse provincie Uruzgan. Van het beschikbare geld is een fractie uitgegeven. Dat blijkt zaterdag uit onderzoek van dagblad Trouw.

In het Fonds economische opbouw Uruzgan (FEOU) werd door het kabinet in 2008 10 miljoen euro beschikbaar gesteld. In 2009 en 2010 zijn tien aanvragen ingediend. Drie daarvan zijn ingewilligd. Twee projectvoorstellen zijn nog in behandeling.

Volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken is de mindere belangstelling te wijten aan de zeer moeilijke omstandigheden waarin ondernemers moeten werken in Uruzgan. Dat gaat onder meer om de veiligheid, de grootte van de lokale economie en de organisatiegraad in Uruzgan.

Eind vorig jaar zei staatssecretaris Ben Knapen (Ontwikkelingssamenwerking) al in de Tweede Kamer dat ''de private sector niet in rotten van vier staat opgesteld om grootscheepse private exploitatiemogelijkheden in Afghanistan te verkennen''.

Regeling

De regeling eindigde aan het einde van 2010. Het fonds kwam er na een lobby van werkgeversorganisatie VNO-NCW, dat vond dat het bedrijfsleven op die manier een graantje mee kon pikken van de gelden voor ontwikkelingssamenwerking. ''Wij wilden een bijdrage leveren aan de wederopbouw'', aldus een woordvoerster zaterdag.

In een brief aan Knapen eerder deze week wees VNO-voorman Bernard Wientjes op de moeilijke veiligheidssituatie en het gebrek aan een goed werkende overheidsstructuur, waardoor investeren in Uruzgan lastig was. Het Nederlands Centrum voor Handelsbevordering zou vanaf nu het voortouw moeten nemen.

VNO wijst er verder op dat er wel degelijk ook succesvolle projecten zijn geweest en de werkgevers willen ook in de toekomst dit soort projecten blijven doen. ''Zo kijken we nu naar Haïti.''