LUXEMBURG - Het Europees Hof van Justitie heeft in hoger beroep de bezwaren van AkzoNobel tegen een eerdere uitspraak over de vertrouwelijkheid van de communicatie van bedrijfsjuristen afgewezen. Dat is dinsdag bekendgemaakt.

Volgens het Hof, de hoogste rechtsinstantie van de Europese Unie, vallen de activiteiten van bedrijfsjuristen niet onder hun professionele vertrouwelijkheid (het zogenoemde verschoningsrecht) als het gaat om kwesties van mededinging. Daarom mag hun communicatie, brieven en aantekeningen worden opgevraagd door mededingingsautoriteiten.

Het dispuut tussen AkzoNobel en de Europese rechtsinstantie ontstond in 2003, toen ambtenaren van de Europese mededingingsinstanties een inval deden in kantoren van AkzoNobel in Groot-Brittannië. Daarbij werden ook papieren van bedrijfsjuristen meegenomen. Een lagere rechtbank deed al in 2007 uitspraak tegen de bezwaren van AkzoNobel hiertegen.

Advocaten

Woordvoerder Oskar Bosson van AkzoNobel liet dinsdag weten dat het voor de onderneming nog te vroeg was om op de uitspraak van het Hof te reageren. Eerst moeten de advocaten van AkzoNobel de beslissing van het Hof bestuderen.

De Nederlandse Orde van Advocaten noemt de uitspraak van het Hof ''niet onverwacht, maar wel ongelukkig''. Het Hof maakt onderscheid tussen advocaten in dienstbetrekking en andere advocaten.

Algemeen deken Jan Loorbach van de Orde wijst er wel op dat de uitspraak specifiek het Europees mededingingsrecht betreft. ''Maar de argumenten die worden genoemd nopen ons tot een brede discussie over de onafhankelijkheid en het verschoningsrecht van advocaten in dienstbetrekking''. De Orde zal daarover ook in overleg treden met het ministerie van Justitie.