AMSTERDAM – Topinkomens hebben een grote invloed op kunstprijzen. Dat blijkt uit een recent onderzoek van de economen Luc Renneboog, William Goetzmann en Christophe Spaenjers, die dit verschijnsel in hun paper ‘Art and Money’ beschrijven.

“We willen verklaren hoe het komt dat kunstrendementen fluctueren en soms een soort schokken doormaken”, licht hoogleraar Corporate Finance aan de Universiteit van Tilburg Luc Renneboog toe. “En dit heeft alles te maken met het publiek dat in kunst belegt.” 

“Er zijn eigenlijk twee factoren die een grote impact hebben op de kunstprijzen”, verklaart Renneboog. “Naast de kapitaalmeerwaarde die de financiële markten opleveren, zijn dat de topinkomens, oftewel de hoogste 0,1 procent van de inkomens.” 

Inkomensongelijkheid 

Als de topinkomens stijgen, bewegen de kunstprijzen mee omhoog. Inkomensongelijkheid heeft een vergelijkbaar effect. Als deze toeneemt, stijgen de kunstprijzen eveneens.

De extreem rijken beleggen traditioneel graag in kunst, hoewel dat lang niet altijd een lucratieve investering blijkt te zijn. “Er spelen bij beleggen in kunst ook andere elementen mee dan het rendement”, aldus Renneboog. “Naast esthetische aspecten geldt ook dat kunst een statussymbool vormt, dit wordt ook wel ‘trophy art’ genoemd. Rijken willen met hun rijkdom pronken.” 

Als voorbeeld noemt hij het recordbedrag van 100 miljoen dollar dat vorige maand voor een Picasso betaald is. “Dat was in mijn ogen een minderwaardige Picasso, waar dan zo’n extreem bedrag voor betaald wordt. In zo’n geval speelt duidelijk mee dat de koper vooral zijn rijkdom wil tonen.” 

Vertraging 

Ook de financiële markten hebben een stuwend effect op de kunstprijzen. Renneboog: “Met een vertraging van zo’n zes maanden volgen de kunstmarkten de financiële markten.”

In tijden van recessie stokt de markt, op dat moment gaan niet alleen de beurzen naar beneden, maar ook de kunstprijzen. “Dat hebben we bijvoorbeeld gezien in de crash van 1990, toen ging het aanbod enorm omlaag, net als op de vastgoedmarkt. Mensen wachten dan duidelijk op betere tijden.” 

Volgens de hoogleraar is de kunstmarkt zich sinds het begin van dit jaar snel aan het herstellen van de laatste economische dip. “Die heeft zich beperkt tot ongeveer anderhalf jaar.” 

Hedendaagse kunst 

De onderzoekers hebben in hun studie gekeken naar de ‘repeat sales’, schilderijen die meerdere malen worden verkocht. “Niet elke kunstrichting reageert op dezelfde manier”, denkt Renneboog. “Wat opvalt is dat de hedendaagse en twintigste-eeuwse kunst veel volatieler reageert. Beurscrashes en –bubbels hebben hier een veel grotere invloed op. Oudere schilderijen zijn waardevaster.” 

Uit eerder onderzoek van Renneboog en Spaenjers, beschreven in de paper ‘Buying beauty’, is gebleken dat aandelen over het algemeen meer rendement opleveren dan kunst.

Gemeten over de periode van 1951 tot 2007 leverden aandelen een jaarlijks rendement van 8,9 procent op, terwijl kunst jaarlijks vier procent rendement genereert. Alleen tijdens hypes gaat het rendement van schilderijen stevig omhoog. 

Obligaties 

Schilderijen presteren wel beter dan staatobligaties, die 2,3 procent per jaar opleveren. “Recent is echter duidelijk geworden dat bedrijfsobligaties het wel weer beter doen dan schilderijen”, vult Renneboog aan. 

Toch kan het in financieel opzicht lonend zijn om in kunst te investeren. “Het kan zinvol zijn om er een deel van de portefeuille in te investeren. Voor de hele rijken kan dit een diversificatievoordeel opleveren”, legt de econoom uit.

Spreiden 

Wie veel geld te investeren heeft, doet er goed aan dit zoveel mogelijk te spreiden over aandelen, obligaties, vastgoed en grondstoffen, en dus ook kunst. Daarbij zou dan zo’n vijf tot acht procent van het vermogen in kunst moeten worden gestoken. 

“Als je maar weinig geld over hebt om te beleggen, kun je het best kiezen voor aandelen”, aldus Renneboog. “Maar die missen natuurlijk het esthetische dividend van kunst.”