De huidige fiscale wetgeving voor zorginstellingen rammelt. Het is tijd voor een evenwichtige wetgeving die ruimte laat voor de broodnodige initiatieven en niet op allerlei terreinen belemmeringen opwerpt.

Door Marc van Dijl | PricewaterhouseCoopers

Door een nieuw besluit inzake de vennootschapsbelastingplicht worden (thuis)zorginstellingen gedwongen te herstructureren om hun vrijstelling van belastingplicht niet te verliezen.

Het nieuwe besluit geeft uitleg aan de in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 opgenomen 'zorgvrijstelling'. Deze bepaling stelt zorginstellingen die zich voor 90 procent of meer richten op genezing of verpleging vrij van vennootschapsbelastingplicht.

Onduidelijk
Als gevolg echter van de verouderde tekst en de vele ontwikkelingen in de sector is in veel gevallen de vrijstelling niet meer van toepassing. Het was daardoor onduidelijk welke activiteiten onder de vrijstelling vallen en welke niet. Het besluit van de staatssecretaris van Financiën beoogt deze onduidelijkheid weg te nemen, maar roept tegelijkertijd diverse vragen en problemen op, zoals veel administratieve rompslomp.

Het besluit is geschreven voor de thuiszorgsector, maar heeft ook vergaande gevolgen voor andere zorginstellingen. In het besluit wordt expliciet aangegeven welke activiteiten al dan niet deel uitmaken van 'genezing of verpleging'. Hierdoor ontstaat voor die activiteiten zekerheid over de vennootschapsbelastinggevolgen. Dit juich ik uiteraard toe.

Ontbreken
Echter, zaken als maaltijdverstrekking, preventieactiviteiten en maatschappelijk werk worden niet als genezing of verpleging gekwalificeerd. Ook ontbreken in de opsomming andere activiteiten die zorginstellingen doorgaans verrichten, zoals sociale personenalarmering, uitlenen van personeel, administratieve dienstverlening en verhuur van vastgoed.

Als een instelling bijvoorbeeld personeel verhuurt binnen de zorggroep, leidt dit evenzeer tot problemen. In plaats daarvan moeten dergelijke activiteiten als genezing of verpleging worden gekwalificeerd, zolang ze binnen de (zorg)groep worden verricht.

Rem op samenwerking
Die onzekerheid wordt versterkt door het vereiste dat de instelling zelf de activiteiten moet uitvoeren. In feite vormt dit besluit een rem op samenwerking en onderaanneming. En dat was juist niet de bedoeling. Bovendien krijgen veel zorginstellingen onverwacht te maken met belastingplicht. Het is zeer de vraag of dit ook de bedoeling was.

Het besluit en de gevolgen moeten in een breder kader geplaatst worden. De huidige fiscale wetgeving voor zorginstellingen rammelt. Ik roep de wetgever op om in overleg met de sector tot een evenwichtige wetgeving te komen die ruimte laat voor de broodnodige initiatieven en niet op allerlei terreinen belemmeringen opwerpt.

Daarmee voorkomt de wetgever dat nieuwe besluiten leiden tot administratieve lasten en onzekerheid over de vennootschapsbelastinggevolgen in de zorgsector.

Marc van Dijl is belastingadviseur bij PricewaterhouseCoopers.