DEN HAAG - Na de Raad van State oordeelt ook het Centraal Planbureau (CPB) kritisch over het kabinetsplan om de AOW-leeftijd te verhogen.

Het Planbureau vindt, net als de Raad van State, dat de pensioenleeftijd te laat omhoog gaat. Ook hebben maatregelen om mensen met zware beroepen te ontzien ''een negatief effect'' op de gewenste besparingen.

De verhoging van de pensioenleeftijd zou volgens het CPB in principe de gewenste 4 miljard euro opleveren. Maar in een vrijdag gepubliceerde analyse zijn de rekenmeesters kritisch over het plan om in 2020 te beginnen met het verhogen van de AOW-leeftijd van 65 naar 66 jaar en in 2025 naar 67 jaar.

Betekenisvol
''Een betekenisvolle eerste stap'' zou uiterlijk in 2015 gezet moeten worden om te voorkomen dat een nieuw kabinet de plannen ongedaan kan maken.

Verder werken minister Piet Hein Donner en staatssecretaris Jetta Klijnsma (Sociale Zaken) nog aan maatregelen om mensen die vroeg begonnen zijn met werken en zware beroepen hebben, te ontzien. Volgens het CPB is het ''waarschijnlijk'' dat dit een ''negatief effect'' heeft op de besparingen.

Tweede Kamerlid Stef Blok van de VVD spreekt van ''een klap in het gezicht voor het kabinet''. De oppositiepartij heeft het kabinetsplan altijd ''te laat, te weinig en te ingewikkeld'' genoemd.

Opbrengst
Maar Donner ziet geen aanleiding om de plannen te wijzigen. ''De opbrengst wordt gewoon gehaald'', stelde hij. Volgens minister Wouter Bos (Financiën) zou eerder beginnen ook ''heel onfatsoenlijk'' zijn. Hij stelde dat mensen die nu 62 of 63 zijn, zich niet kunnen voorbereiden op twee jaar later AOW.

Volgens het CPB treft de hogere AOW-leeftijd vooral lagere inkomens. Bij hen maakt het staatspensioen een groter deel uit van hun oudedagsvoorziening ten opzichte van hogere inkomens.

De laatste hebben vaak meer aanvullend pensioen. Hogere inkomens worden weer meer getroffen door aanpassing van het belastingvriendelijk regime voor het sparen van aanvullend pensioen.

Afhankelijk
De effecten zijn wel afhankelijk van de vraag of mensen blijven werken op hun 65e en 66e jaar of toch proberen met pensioen te gaan. Als werknemers in deze jaren een beroep moeten doen op de WW of arbeidsongeschiktheidsuitkering kan er ook sprake zijn van een inkomensvooruitgang ten opzichte van de huidige situatie.