Was het ooit vrij uitzonderlijk, vandaag de dag is het meer regel dan uitzondering, de combinatie van studeren en werken. Het is altijd verstandig om daarbij ook de gevolgen voor de belastingen in het oog te houden. Voor de student kan het juist vooral een belastingvoordeel opleveren.

Door Dick van den Hoeven | Kluwer Belastinggids

Als er al niet meteen een teruggaaf van ingehouden belasting in zit, kunnen er voor de toekomst nog wel mogelijkheden ontstaan. Laten wij maar eens uitgaan van de standaardsituatie dat de student valt onder de studiefinanciering (WSF). Hij kan dan in ieder geval een basisbeurs en een rentedragende lening krijgen. Beide bedragen zijn belastingvrij.

Voor de rentedragende lening is dat logisch, die moet immers worden terugbetaald. Voor de basisbeurs is dat wettelijk zo geregeld, terwijl het bij uitwonende studenten toch om behoorlijke bedragen gaat (voor 2008 tot zo'n 3.000 euro, voor thuiswonende studenten is dat niet meer dan maximaal zo'n 1.100 euro). 

Bijverdienen
Als de student dus wat gaat bijverdienen vormt dat zijn enige belaste inkomen. Dat betekent dat hij op jaarbasis pakweg € 6.600 bruto mag verdienen, zonder dat hij daarover ook maar enig bedrag aan belasting is verschuldigd.

Veelal wordt er ook in dat geval door de werkgever wel belasting (dat heet loonheffing) ingehouden. Die loonheffing kan hij na afloop van het jaar dan terugkrijgen als hij aangifte voor de inkomstenbelasting doet en de ingehouden loonheffing meer bedraagt dan 13 euro (vanaf 2009: 14 euro). Hij krijgt dan het volledige bedrag aan loonheffing terug.

Als de student op jaarbasis meer heeft verdiend dan pakweg 6.600 euro, dan is hij wel wat belasting verschuldigd en krijgt hij alleen het verschil tussen de ingehouden loonheffing en de verschuldigde belasting terug. Maar hoe zit het met de aftrekpost voor de studiekosten, in de wet wat deftig geformuleerd als scholingsuitgaven?

Studiekosten
Voor de WSF-studenten zijn voor de aftrek van die studiekosten normbedragen opgenomen; de werkelijke studiekosten zijn dus niet van belang. Voor de hbo- of wo-student is het normbedrag op jaarbasis ruim 2.200 euro en voor de mbo-student zo'n 1.560 euro. Van die bedragen moet echter wel de belastingvrije basisbeurs worden afgetrokken. Bovendien komt op de scholingsuitgaven nog in mindering een vaste drempel van 500 euro.

Voor thuiswonende studenten kan er dan nog wel een aftrek overblijven omdat hun normbedragen in alle gevallen hoger is dan hun beurs van 1.100 euro, maar voor uitwonende studenten zijn de beursbedragen hoger dan de normbedragen.

Aftrek
Mocht de studie onverhoopt niet zo goed gaan, dan is er enige fiscale troost: als de beursbedragen door onvoldoende studieresultaat moet worden terugbetaald, dan kan de student in het jaar van terugbetaling alsnog een aftrek van scholingsuitgaven krijgen. De aftrek wordt berekend op het totaal van de terugbetaalde bedragen voorzover die in het verleden in mindering moesten worden gebracht op de normbedragen voor aftrek; in zoverre hebben ze destijds immers de aftrek verhinderd.

Dit betekent dat thuiswonende studenten de terugbetaalde beursbedragen helemaal kunnen aftrekken. De uitwonende studenten mogen bij terugbetaling van de beursbedragen alleen de destijds niet afgetrokken normbedragen aftrekken (de terugbetaalde beursbedragen zijn weliswaar hoger maar hebben de aftrek slechts beïnvloed tot de normbedragen).

Aangifte
Studenten zonder bijverdiensten kunnen uiteraard geen belasting terugkrijgen. Toch kan het ook voor hen interessant zijn om aangifte te doen. Omdat zij geen inkomen hebben, kunnen zij de aftrekpost van scholingsuitgaven weliswaar niet direct verrekenen. Maar het niet direct verrekenbare bedrag kan alsnog worden verrekend in volgende jaren waarin er vermoedelijk met werken (of anderszins) wel belasting is verschuldigd; door de verrekening ontstaat er dan alsnog belastingvoordeel voor de student. 

Studeren en werken; er is bijna altijd wel een belastingvoordeel te realiseren.