De zegen van Java?

In 1996 werd de wereld verblijd met een nieuwe programmeertaal genaamd Java. Met de slogan "write once, run anywhere" zou alles gaan veranderen. Nu, eind 2008, kunnen we stellen dat ondanks dat Java gebruikt wordt in grofweg 50 procent van alle systeem ontwikkeling, Java niet het succes heeft gebracht dat voor ogen stond.

Door Wim Groenendaal | Logica

In de jaren zeventig was applicatieontwikkeling relatief simpel, je had een mainframe en COBOL als belangrijkste programmeertaal. Om een functionaliteit te ontwikkelen moest een bepaalde inspanning geleverd worden die veelal uitgedrukt werd in uren per functiepunt. Voor de mainframe/COBOL combinatie was dat 8 uur per functiepunt. De ontwikkelaars waren vakmensen om te voorkomen dat de programmatuur het stempel spaghettiprogrammatuur kreeg.

Begin jaren negentig was de opkomst van de client/server technologie en een nieuwe golf programmeertalen zoals SQLWindows, Powerbuilder en Delphi. De productiviteit van ontwikkelaars nam enorm toe: 2 uren per functiepunt was meer regel dan uitzondering. De complexiteit nam echter ook toe.

Als deze ontwikkelomgevingen niet met de juiste deskundigheid werden gebruikt, kon heel eenvoudig macaroniprogrammatuur ontstaan; een fenomeen waarbij de logica op allerlei plaatsen verspreid in de applicatie voor kon komen. Niet bepaald een ideale situatie bij onderhoud. Ja, en toen kwam dus Java.

Vrijheid, blijheid
Java is, net zoals COBOL, een derde generatie-taal en als zodanig zou je mogen aannemen dat de inspanning nodig om bepaalde functionaliteit te bouwen ongeveer gelijk ligt, te weten 8 uur per functiepunt. De werkelijkheid bleek anders: 16 tot 24 uur per functiepunt was niet abnormaal aan het einde van de jaren negentig.

Deze teruggang in productiviteit kent een drietal redenen: te weinig ervaren ontwikkelaars, geen noodzaak om te verbeteren (het was immers een tijd van hoogconjunctuur) en als derde reden 'cowboy'-gedrag. Tot de introductie van Java was applicatieontwikkeling een strak georganiseerd vakgebied.

Er waren strenge regels voor gestructureerd programmeren en object-oriëntatie. Met de komst van Java werd programmeren weer leuk: vrijheid, blijheid. Als ontwikkelaar kon je de ontwikkelomgeving gebruiken die jij leuk vond, immers er kwam toch Java uit!

Het begin van het einde
Toen de IT wereld in 2001 instortte, kwam er onrust. Java applicatieontwikkeling moest goedkoper en leveranciers speelden daar handig op in door handigheidjes in hun platformen te bouwen die er voor zorgden dat je sneller kon ontwikkelen. Echter met een neveneffect; je zat vast aan de die leverancier. Deze ontwikkeling is dan ook het begin van het einde van "write once, run anywhere".

Vooruit naar de toekomst
Java gaat het niet redden. De slogan "write once, run anywhere" blijkt moeilijk waar te maken en de Java complexiteit zal er toe leiden dat applicatieontwikkeling zich naar een hoger abstractieniveau zal begeven. Ook het huidige economische klimaat zal vragen om een meer efficiënte software-ontwikkeling.

De functionaliteit zal dan door grafische modellen en beschrijvende taal worden gespecificeerd. Met een software generator wordt de code uiteindelijk gegenereerd in plaats van geprogrammeerd, desgewenst in Java. Op deze wijze zal de complexiteit van de taal Java verborgen blijven voor de ontwikkelaar. Java was een zegen door de vrijheid die het bracht, maar nu is het tijd voor iets anders.

Wim Groenendaal is Principal IT Consultant bij Logica Management Consulting

Tip de redactie