Werknemers moeten in ieder geval in de gelegenheid zijn één keer per jaar minimaal twee weken achter elkaar of twee keer per jaar één week vakantie op te nemen.

De werknemer geeft bij de werkgever aan wanneer en voor hoe lang hij zijn vakantiedagen wil opnemen. De werkgever moet hiermee akkoord gaan, tenzij bij arbeidscontract of CAO anders is bepaald. Alleen als de vakantiewens van de werknemer aanzienlijke problemen voor de bedrijfsvoering oplevert, kan de werkgever opname van de vakantie weigeren.

In sommige sectoren, zoals de bouw en het onderwijs, komt het voor dat een groot deel van de vakantiedagen gedurende een bepaalde periode verplicht moet worden opgenomen.

Einde dienstverband
Vertrekt de werknemer bij de organisatie, dan kan hij zijn vakantiedagen meestal nog opnemen. Als dat niet kan, bijvoorbeeld omdat er geen vervanging is, moet de werkgever de vakantiedagen uitbetalen. Ook moet hij een verklaring geven over het aantal uitbetaalde dagen. De werknemer kan die vakantiedagen dan bij zijn nieuwe werkgever opnemen. Deze hoeft geen loon uit te betalen maar is wel verplicht om de vrije dagen toe te staan.