RIJSWIJK - De Nederlandse regering leek de afgelopen weken met miljarden te strooien om de crisis op de financiële markten te bezweren. De definitieve rekening die de belastingbetaler betaalt voor de kredietcrisis, wordt echter pas later opgemaakt.

Een overzicht van de bedragen die tot nu toe zijn betaald dan wel klaarliggen om de aangeslagen bankensector te helpen:

200 miljard euro: tot maximaal dat bedrag staat de Nederlandse overheid garant voor leningen die banken onderling aangaan. Of dit de belastingbetaler geld gaat kosten en hoe veel, is nog niet duidelijk. De overheid hoeft pas daadwerkelijk met geld over de brug te komen als een bank die van de garantstelling gebruikmaakt, zijn verplichtingen niet kan nakomen

Belang
20 miljard euro: stelt de Nederlandse regering beschikbaar om te investeren in financiële bedrijven als die daarom vragen. In ruil daarvoor krijgt de overheid een belang, zodat zij inspraak krijgt en haar investering op termijn terug kan verdienen. Voor zover bekend heeft tot dusver nog geen enkele financiële instelling een beroep gedaan op dit 'noodfonds'.

16,8 miljard euro: betaalde de regering voor de Nederlandse tak van Fortis en de delen van ABN Amro die Fortis vorig jaar overnam. De vertrouwenscrisis in de financiële sector dreigde beide bedrijven fataal te worden. Het is de bedoeling dat de twee instellingen alsnog worden samengevoegd en dan worden verkocht.

Garantie
Verder poogde de regering spaarders gerust te stellen door spaar- en depositotegoeden tot een maximum van 100.000 euro te garanderen. Eerder lag de lat bij 38.000 euro. Al binnen enkele dagen klopten de eerste spaarders aan.

Met de ondergang van het IJslandse Icesave ging 1,6 tot 1,7 miljard euro aan Nederlands spaargeld in rook op. Volgens minister van Financiën Wouter Bos is de schade op 250 tot 300 miljoen euro na gedekt door de IJslandse regering en andere banken. Reykjavik moet zijn bijdrage van 1,1 miljard wel van Nederland lenen.