DEN HAAG - De ov-chipkaart heeft vervoerders zoals de Rotterdamse RET en het GVB in Amsterdam, sinds 2006 100 miljoen euro meer gekost dan de begrote 249 miljoen euro.

Dit blijkt uit een onderzoek van een commissie in opdracht van staatssecretaris Tineke Huizinga (Verkeer). De commissie pleit ervoor om nu 'door te pakken' met de kaart om verdere vertragingen en nog meer kosten te voorkomen.

"Geef Rotterdam groen licht", zei dinsdag landsadvocaat René van de Klashorst namens commissievoorzitter Anne Kist. "Stadsvervoerders willen de kaart graag invoeren om de extra kosten terug te verdienen. Je hoeft dan niet langer twee systemen in leven te houden."

Proeftuin
Rotterdam, al langere tijd proeftuin voor de ov-chipkaart, wil dat eind januari de strippenkaart in de metro verdwijnt en de ov-chipkaart het enige geldige vervoersbewijs wordt. De staatssecretaris beslist daarover. Zij beloofde onlangs de Tweede Kamer voor eind oktober uitsluitsel te geven.

De oorzaak van de problemen ligt in de keuze voor het systeem, een verantwoordelijkheid van de vervoersbedrijven zoals verder ook de Haagse HTM en de Nederlandse Spoorwegen alsmede provincies en stadsregio's. De commissie-Kist beveelt daarom aan om de organisatie van het project en het onderlinge overleg tussen partijen te verbeteren.

Mogelijke extra financiële tegenvallers van 18 miljoen euro per jaar tot en met 2017 kunnen worden opgelost als die aanbevelingen worden opgevolgd, aldus Van de Klashorst.

Vertrouwen
De ov-chipkaart zou vanaf 2009 de strippenkaart en het treinkaartje vervangen, maar door tal van problemen zoals de veiligheid komt daar weinig van terecht. Vorige week zegden ook nog eens grote consumentenorganisaties zoals ANWB, Rover en Consumentenbond het vertrouwen op in de kaart. Als het aan hen ligt, blijven strippenkaart en chipkaart zolang als nodig naast elkaar bestaan.