AMSTERDAM - Een bedrijf heeft een van haar tijdelijke werknemers gediscrimineerd door geen dertiende maand uit te keren. Dat heeft de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) vorige week geoordeeld.

In de zaak ging het om een bedrijf dat zich bezighoudt met de sterilisatie en ionisatie van medische wegwerpartikelen. In de regeling arbeidsvoorwaarden van de organisatie staat iedere medewerker die op 1 november in dienst is, recht heeft op een dertiende maand.

Werknemers die voor 1 november zijn ontslagen, vrijwillig ontslag hebben genomen of minder dan zes maanden in dienst waren, krijgen geen eindejaarsuitkering.

Bepaalde tijd
Bij het bedrijf werkte een vrouw op grond van een tijdelijke arbeidsovereenkomst met als einddatum op 31 oktober 2007. Zij kreeg over het jaar 2007 geen dertiende maand omdat zij niet voldeed aan de eis om op 1 november van een jaar in dienst te zijn. Omdat zij al twee jaar op grond van zowel tijdelijke contracten als uitzendbasis bij de onderneming had gewerkt, ging zij in beroep bij de CGB.

Bij het bedrijf werken in verhouding veel werknemers met een tijdelijk contract. De commissie vond het daarom nodig eerst een statistische analyse te doen. En daaruit bleek dat tijdelijke medewerkers door het hanteren van de peildatum werden benadeeld.

Onderscheid
Het bedrijf verweerde zich door te stellen dat het onderscheid op grond van het tijdelijke karakter van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd was, omdat zij verloop wilde tegengaan en de administratieve lasten wilde verlagen.

De CGB was het hier echter niet mee eens. Het eerste doel was slechts deels passend; het pro rata uitkeren bij uitdiensttreding zou een geschikt alternatief middel zijn. Het tweede doel kan evenmin een objectieve rechtvaardiging opleveren, aldus de commissie. Het bedrijf handelde daarom in strijd met de Wet Gelijke Behandeling.