VOORBURG - De belasting over toegevoegde waarde (btw) is in bijna veertig jaar uitgegroeid tot de belangrijkste belasting voor het rijk. Dat meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maandag.

De btw werd in januari 1969 voor het eerst geheven, na invoering van de Wet op de omzetbelasting op 28 juni 1968. De heffing is een vorm van omzetbelasting op de verkoop van producten en diensten.

Inmiddels is de opbrengst voor de staat opgelopen van (omgerekend van guldens naar euro's) 2,5 miljard euro in 1969 tot 42,9 miljard euro in 2007. Gemiddeld schommelden de jaarlijkse opbrengsten rond de 6,5 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Sinds de eeuwwisseling ligt dit percentage boven de 7.

Twee tarieven
Nederland kent twee btw-tarieven. De meeste goederen en diensten vallen onder het hoge tarief van 19 procent, dat vanaf januari 2009 wordt verhoogd tot 20 procent.

"Voeding, kranten en bepaalde arbeidsintensieve diensten zoals de reparatie van huizen of fietsen vallen onder het lage tarief van 6 procent", aldus CBS-econoom Michiel Vergeer. Er zijn ook diensten en producten waar geen btw over wordt geheven. Huren en medicijnen zijn daar voorbeelden van.

Frankrijk
De invoering van de btw had volgens Vergeer eind jaren zestig heel wat voeten in de aarde. "Alle belastingen moesten opnieuw bekeken worden." Ook in andere Europese landen werd de btw rond deze periode ingevoerd. Frankrijk liep ver vooruit; het land voerde al in de jaren vijftig een vorm van btw in.

"Inmiddels kennen vrijwel alle landen in de wereld een btw-tarief. In Europa variëren de tarieven tussen de 15 procent voor Luxemburg en 25 procent voor een aantal Scandinavische landen", aldus Vergeer.

De invoering van de btw in Nederland veroorzaakte veel ophef, toen bleek dat de inflatie in de eerste maanden van 1969 verder opliep dan de 1 procent waarop het kabinet had gerekend. De oplopende inflatie leidde er uiteindelijk zelfs toe dat minister Leo de Block van Economische Zaken begin 1970 opstapte. Ook later veroorzaakten btw-verhogingen een hogere inflatie. De verhoging van 17,5 tot 19 procent in 2001, leidde tot een toename van de inflatie met 0,5 procentpunt.

Kabinet-Lubbers
Een belangrijke verschuiving van het lage naar het hoge btw-tarief vond halverwege de jaren tachtig onder het kabinet-Lubbers plaats. Toen werd gas en elektriciteit zwaarder belast om de consumptie van energie tegen te gaan. Dit als gevolg van een energiecrisis.

In 1997 haalde btw de loonbelasting in als belangrijkste belasting voor het rijk. Inmiddels is de btw goed voor 32 procent van de belastinginkomsten, tegen 29 procent voor de loonbelasting. Met vennootschapsbelasting wordt 14 procent opgehaald en accijnzen zijn goed voor 8 procent.

Huishoudens zijn via het kopen van goederen, diensten en woningen verantwoordelijk voor 68 procent van de btw-opbrengsten. Bedrijven, instellingen en de overheid nemen 19 procent voor hun rekening. De rest komt uit investeringen van onder andere woningbouwverenigingen en ziekenhuizen. "Zij worden bij investeringen in bijvoorbeeld vastgoed niet vrijgesteld voor btw, bedrijven wel", legt Vergeer uit.