Om CO2-neutraal te worden gaat Nederland de komende jaren steeds minder gebruikmaken van olie en gas. Daardoor hoeft uiteindelijk minder vertrouwd te worden op exporteurs als Rusland en Nigeria. Hoe verandert dat de wereldhandel en -politiek?

Van het Nederlandse energieverbruik komt nu nog een grote meerderheid uit aardgas en olie. Wil ons land in 2050 CO2-neutraal zijn, dan moeten we massaal overstappen op zonne- en windenergie, en op hernieuwbare brandstoffen als waterstof.

Nederland zal daardoor in de toekomst veel meer energie uit eigen land gebruiken, van windmolens en zonnepanelen op land en in de Noordzee. De afhankelijkheid van olie en gas uit landen als Rusland en Nigeria zal vooral na 2030 sterk afnemen.

Economisch is de energietransitie voor netto-importeurs als Nederland daarom vooral goed nieuws, zegt Thijs Van de Graaf, hoogleraar internationale politiek aan de Universiteit Gent. "Omdat je veel minder afhankelijk bent van importen die niet altijd even zeker zijn, en die soms onderhevig zijn aan hevige prijsschokken."

Europa moet rekening houden met 'imploderende regimes'

Exporteurs van olie en gas weten juist al dat hun fossiele inkomsten uiteindelijk zullen opdrogen. In een land als Algerije kan dat grote instabiliteit met zich meebrengen, schreven experts van de Europese denktanks Bruegel en ECFR dit jaar. Inkomsten uit fossiele brandstoffen betalen nu voor 60 procent van de overheidsbegroting.

Als de transitie naar een groene economie niet lukt kan de Algerijnse economie in "een haast terminale neergang" vervallen, waarschuwen de experts. Dat risico geldt voor meer landen aan de randen van Europa, zoals Libië en Azerbeidzjan. "Voor Europa is het geen goed vooruitzicht als daar imploderende regimes zitten", zegt Van de Graaf. "Met alle migratiestromen die daarmee gepaard gaan."

Om zulke problemen aan de grenzen van Europa te voorkomen, moet de EU de huidige handelspartners helpen om de overgang naar een groene economie te maken, denkt hij. Bijvoorbeeld door te garanderen dat in de toekomst groene brandstoffen worden afgenomen. Daarbij moet niet alleen naar de belangen van Europa worden gekeken.

In de Democratische Republiek Congo is veel potentieel voor waterkrachtcentrales, maar is de toegang tot elektriciteit voor de lokale bevolking nog beperkt. "Willen we daar dan hernieuwbare energie-installaties gaan neerzetten voor de export van waterstof, om de westerse industrie overeind te houden?"

Volgens Van de Graaf zou het beter zijn om armere landen aan een toekomstbestendige industrie te helpen, bijvoorbeeld door de bouw van groene staal- of aluminiumfabrieken.

Banden met nieuwe 'exportkampioenen'

Hoewel Nederland qua energieproductie meer op zichzelf gaat staan, blijven we ook in de toekomst energie importeren. Marokko wordt bijvoorbeeld gezien als toekomstige 'exportkampioen', omdat er veel zonne- en windenergie kan worden opgewekt. Die kan als elektriciteit of als waterstof naar Europa worden geëxporteerd.

Dat zulke nieuwe betrekkingen onder druk kunnen komen te staan, bleek afgelopen zomer al uit een akkefietje tussen Duitsland en Marokko. Zij tekenden in 2020 een samenwerkingsovereenkomst rond groene waterstof, maar Marokko zette daar binnen een jaar een streep door, vanwege onenigheid over de onafhankelijkheid van de Westelijke Sahara.

Toch is een nieuwe 'oliecrisis' rond waterstof onwaarschijnlijk. De Europese landen die in de toekomst waterstof importeren, zullen dit voor een deel ook zelf produceren en dus niet volledig afhankelijk zijn van import. Bovendien zal waterstof een kleinere rol spelen in het energieverbruik dan aardolie nu doet.

"We gaan meer onze eigen energie produceren dan vandaag het geval is, maar er zullen nog handelsstromen zijn", zo schetst Van de Graaf het jaar 2050, wanneer de EU hoopt CO2-neutraal te zijn. "De energiehandel gaat nog altijd bestaan, maar de stromen worden herlegd met andere partnerlanden. Er komt meer focus op technologie en minder op brandstoffen. En de Europese energiezekerheid zal sterk verbeterd zijn."