In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de Nederlandse elektriciteitsproductie razendsnel moet verduurzamen. Al in 2030 moet 70 procent van alle elektriciteit uit zon en wind komen. Hoe gaat dat eruitzien?

Vorig jaar kwam ongeveer 26 procent van de Nederlandse elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Dat was al een stuk meer dan vijf jaar eerder: toen was slechts 12 procent hernieuwbaar, en waren er ook nog veel meer vervuilende kolencentrales.

Momenteel is windenergie goed voor bijna 45 procent van alle hernieuwbare elektriciteit. Zon is de snelst groeiende categorie en levert 26 procent van de groene stroom. Nu heeft ook biomassa nog een aanzienlijk aandeel (29 procent). Het gaat dan om bijvoorbeeld bijstook in kolencentrales en elektriciteit die wordt opgewekt bij afvalverbranding.

In 2030 moeten wind en zon een veel groter aandeel hebben, van maar liefst 70 procent van de totale elektriciteitsproductie. Biomassa krijgt een kleinere rol en het gebruik van steenkool wordt volledig afgebouwd. Wel blijft Nederland dan nog vertrouwen op aardgas voor een deel van de elektriciteitsproductie.

Er komen steeds meer zonne- en windparken op land bij, maar de grootste groei in de hernieuwbare elektriciteitsproductie komt van windmolens op zee. In de komende acht jaar worden in de Noordzee veel windparken bijgebouwd, die meer elektriciteit zullen opleveren dan alle windmolens en zonnepanelen op land bij elkaar.

De totale elektriciteitsproductie blijft in de komende jaren flink stijgen. Omdat we minder moeten gaan vertrouwen op fossiele brandstoffen als olie en gas, wordt elektriciteit steeds belangrijker. Steeds meer mensen gaan elektrisch rijden, koken en verwarmen. Daarom zal de elektriciteitsvraag - en dus ook de productie van duurzame energie - ook na 2030 nog flink blijven groeien.