AMSTERDAM – Met The Wild Hunt levert de Zweedse folkzanger Kristian Matsson het tweede album af onder zijn pseudoniem The Tallest Man On Earth. De plaat is al even kaal als voorganger Shallow Grave (2008), en doet denken aan het vroege werk van Bob Dylan.

Zelf nuanceert Matsson die laatste stelling. “Mijn muziek maakt geen onderdeel uit van een bepaalde traditie of erfenis.”

“Dit is hoe ik speel. Dit is hoe ik liedjes schrijf”, zegt Matsson. Het is duidelijk: hij doet niemand na, maar is zichzelf. Het eerste folkalbum dat hij hoorde was een Best Of van Dylan, dat wel.

Matsson: “Toen ik vijftien was, luisterde ik voor het eerst naar Bob Dylan. Op het eerste album [Bob Dylan, 1962, red.] zingt hij veel covers. Ik zocht uit waar die liedjes vandaan kwamen en ontdekte zo artiesten die ik erg goed vond.”

Van gitaar spelen moest Matsson in eerste instantie niet veel hebben. Op de middelbare school waren de muzieklessen verplicht, “net zoiets als wiskunde”. “Pas rond mijn twintigste ontdekte ik dat je de gitaar op verschillende manieren kan stemmen”, vertelt de Zweed.

“Ik luisterde naar Nick Drake en plotseling werd gitaar spelen gemakkelijk en interessant, omdat je zóveel kunt doen met weinig inspanning.”

Podium

“Ik ben sinds Shallow Grave beter gaan zingen en beter gitaar gaan spelen”, vervolgt Matsson. “Het vele optreden helpt.” Hij staat het liefst op het podium: daar staat hij oog in oog met de emotie die hij teweegbrengt.

“Het is moeilijker als mensen naar me toekomen en zeggen dat ze veel naar mijn album luisteren en dat het veel voor hen betekent. Ik kan nauwelijks begrijpen dat mensen daadwerkelijk thuis naar mijn muziek luisteren. Gedurende een show deel je een bepaalde connectie – dat is prettiger.”

Verbinding

Dat is waar The Wild Hunt om draait: verbinding maken met de luisteraar. Matsson doet het met geringe middelen. Op negen van de tien liedjes begeleidt hij zichzelf op gitaar, waarna het album besluit met een pianoballade, Kids On The Run.

Matsson: “Ik heb lang met dat nummer gespeeld. Het is geschreven op banjo, waarna ik het omvormde tot een gitaarsong – wat al te ambitieus eigenlijk, en ik werd het al snel zat. Toen besefte ik me plotseling waar de inspiratie voor dat nummer vandaan kwam: voor mij was het een soort jaren '90 power ballad. Vandaar de piano en mijn manier van zingen.”