The New York Times heeft maandag drie Pulitzer-prijzen gewonnen. De krant won in de categorieën commentaar, onderzoeksjournalistiek en internationale berichtgeving. De Pulitzer-prijzen staan bekend als de belangrijkste journalistieke prijzen in de Verenigde Staten.

De prijzen werden maandag uitgereikt aan Amerikaanse nieuwsorganisaties die zich verdiepen in corruptie van bedrijven, seksueel geweld, buitenlandse inmenging in verkiezingen en de erfenis van racisme in de Verenigde Staten.

De prijs voor commentaar ging naar Nikole Hannah-Jones, een correspondent van The New York Times Magazine, voor haar essay dat als leidend stuk diende in The 1619 Project, een serie waarin de geschiedenis van de Verenigde Staten op een nieuwe manier werd verteld, door te focussen op de gevolgen van slavernij en de bijdragen van zwarte Amerikanen.

De onderzoeksprijs ging naar een onderzoek van Brian Rosenthal naar de taxibranche in New York City. Het bleek dat de chauffeurs, van wie sommigen geen Engels spraken, waren opgezadeld met roofzuchtige leningen waardoor bijna duizend chauffeurs faillissementen aanvroegen. Dat had ten minste negen zelfmoorden tot gevolg. Door het onderzoek van Rosenthal stelde de stad een reddingsactie van 500 miljoen dollar (zo'n 458 miljoen euro) in.

The New York Times ontving de prijs voor internationale berichtgeving voor een reeks verhalen die het regime van de Russische president Vladimir Poetin blootleggen.

Andere prijzen gingen naar: The Washington Post (verklarende journalistiek), The Baltimore Sun (regionale journalistiek) en Christopher Knight van The Los Angeles Times (kritiek).

Doorgaans wordt de prijsuitreiking gehouden aan Columbia University in New York City, maar vanwege de coronavirusmaatregelen vond het plaats in de woonkamer van Pulitzer-bewindvoerder Dana Canedy. Het werd via YouTube uitgezonden.