Columnist Özcan Akyol denkt dat ironie als stijlmiddel dood is. "Ik ben niet de eerste die dat constateert", zegt Akyol in een interview met het AD.

Akyol heeft een vaste column in het AD. Afgelopen zaterdag schreef hij in zijn wekelijkse bijdrage "teleurgesteld" te zijn in de samenstelling van de Top 2000.

De column van Akyol was naar eigen zeggen ironisch bedoeld, zegt hij tegen de krant. "Iedereen herinnert zich nog hoe Tarkan West-Europa veroverde met zijn magistrale en tijdloze song Kiss, Kiss. Dat Tarkan nu niet in de belangrijkste muzieklijst van ons land is opgenomen, riekt naar moedwillige tegenwerking, bekokstoofd op het hoofdkwartier van de NPO", zo schreef hij onder meer.

"Het kan wel wezen dat de lijst wordt samengesteld door vaste luisteraars van NPO Radio 2 en dat het hele concept in feite een democratisch fenomeen is, maar dat betekent niet dat de participanten blind moeten zijn voor alle prachtige oriëntaalse popmuziek."

'Drammen van de diversiteitspropaganda'

De bedoeling van zijn stuk was om een punt te maken over "het drammen van de diversiteitspropaganda", aldus de schrijver.

Dat de ironie niet door iedereen werd begrepen, vindt Akyol geen grote verrassing. "Ik baal helemaal niet van de reacties. Maar ik merk nu dat ongeveer 30 procent van de mensen wel de ironie herkent en 70 procent gewoon zit te brullen", aldus de columnist.

"Ik dacht niet dat die verdeling zo zou zijn; het ligt er wel heel erg bovenop dat het ironie moet zijn."