Paul Jambers, die in de jaren negentig in Nederland bekend werd met het programma Jambers, vindt dat de huidige reportages op televisie gemanipuleerd aanvoelen.

"Het is bijna fictie. Spannend om naar te kijken, maar je voelt dat het geregisseerd is. Gemanipuleerd. Als ik die programma's samen met de makers zou bekijken, zouden veel mensen door de mand vallen", zegt Jambers in gesprek met het Belgische tijdschrift Humo.

De 73-jarige journalist werd in zijn hoogtijdagen door vakgenoten gewaardeerd, maar kreeg ook veel kritiek. Zo zou hij sensatiebelust zijn en goedkoop willen scoren door mensen in beeld te brengen die eigenlijk tegen zichzelf beschermd zouden moeten worden.

Maar Jambers is het daar niet mee eens: "Ik dwong mensen zichzelf te verklaren. Te praten over dingen waar ze misschien zelf nog niet over hadden nagedacht. Daardoor kon ik verregaande vragen stellen zonder dat ik de geïnterviewde pijn deed. Ik tilde hem op. Als ik voelde dat de tranen opkwamen, stelde ik een vraag om dat te vermijden."

'Bij mij was het rechttoe rechtaan'

Omdat hij onder de loep lag, wilde Jambers juist heel nauwkeurig en secuur te werk gaan.

"Als een geïnterviewde praatte, moest hij altijd in beeld zijn - om niet het verwijt te krijgen dat ik off-screen knipte en plakte in uitspraken. Ik plakte geen korte shots aan elkaar. Ik kwam in één beweging bij mensen binnen. Ik gebruikte geen muziek. Ik liet de geïnterviewde niets opnieuw doen en deed zelf ook nooit iets opnieuw."

Daarin ligt volgens hem ook het belangrijkste verschil tussen zijn aanpak en de techniek die zijn hedendaagse collega's gebruiken: "Veel reportagemakers zijn geen journalisten. Ik was een journalist, de inhoud primeerde. Tegenwoordig is het allemaal storytelling. Op zich is dat niet verkeerd, maar storytelling gaat meestal samen met manipulatie. Bij mij was het rechttoe rechtaan."