In één week tijd zijn twee Nederlandse mediaredacties opgeschrikt door aanvallen van buitenaf. Kunnen bedreigde journalisten in Nederland hun werk nog doen? "Wij blijven criminelen beschrijven in de krant. Zij moeten weten dat wij ons niet laten afschrikken", stelt misdaadjournalist Paul Vugts van Het Parool.

Donderdagavond 21 juni werd het kantoorpand van Pijper Media (Panorama, Nieuwe Revu) beschoten met een raketwerper. En op dinsdag 26 juni reed iemand met een busje het TMG-gebouw (De Telegraaf, Metro) binnen en stak het voertuig vervolgens in brand.

Pers en politiek reageerden geschokt. Zo noemde premier Mark Rutte de aanval op TMG "een klap in het gezicht van de vrije pers en de Nederlandse democratie" en wees De Telegraaf-misdaadjournalist John van den Heuvel naar de mocro-maffia. "Het is heel aannemelijk dat dit te maken heeft met het onderzoek naar de liquidaties in de Amsterdamse onderwereld", aldus Van den Heuvel dinsdagavond in RTL Boulevard.

Van den Heuvel zou bedreigd worden door motorclub No Surrender en krijgt daarvoor persoonlijke beveiliging. "Het flitst wel even door je hoofd. Heeft het te maken met een verhaal van mij?", aldus de misdaadverslaggever. Van den Heuvel en zijn collega Mick van Wely zijn in verband met de aanslag door de politie gehoord.

Ons journalistieke klimaat

Vugts van Het Parool weet ook hoe het is om direct bedreigd te worden vanwege je beroep. Door publicaties in de krant en in zijn boek Afrekeningen wordt hij beveiligd en werkt hij vanaf een schuiladres.

Toch nuanceert hij het beeld dat de vrije pers in Nederland op dit moment onder druk staat. "Ons journalistieke klimaat is in grote lijnen nog steeds heel prima. Ik maak bizarre dingen mee, maar het staat nog altijd in geen verhouding tot wat journalisten in andere landen gebeurt. Journalisten die bijvoorbeeld door hun eigen regime worden vermoord. In Nederland word ik niet aangevallen door mijn eigen overheid, maar juist beschermd door de Staat."

De gebeurtenissen van afgelopen week betrekt hij niet op zichzelf, al vindt hij het wel "heel vervelend" voor zijn collega's. "Ik zie dit soort periodes als een soort golfbeweging. De dreiging laait in de slechte periodes op en zo'n periode maken we nu mee. De criminele wereld verhardt wel, de jonge criminelen zijn roekelozer geworden", zegt Vugts.

De journalist ervaart het "als een voordeel" dat hij niet zo bekend is. "Ik ben vrij selectief in mijn mediaoptredens." 

Niet anoniem

Anders is dat bij bijvoorbeeld Peter R. de Vries, die door vrijwel heel Nederland wordt herkend. Evenals Vugts, kent hij de dreiging door zijn werk goed. "Ik kan me vrijwel niet anoniem over straat bewegen. Dat heeft voor- en nadelen. Het feit dat ik erg bekend ben, zorgt ervoor dat sommige mensen zich niet aan een aanslag op mij zullen wagen. Aan de andere kant praten mensen er gauw over als ik ergens ben. Daardoor weten veel mensen, ook diegenen die eventueel kwaad in de zin hebben, waar ik mij begeef", zegt De Vries.

"Ik zit al veertig jaar in het vak en heb de intimidaties vanaf het begin meegemaakt. Wat er nu gebeurt, is wel van de buitencategorie. Men voegt de daad bij het woord. In het geval van De Telegraaf heeft de aanslagpleger een auto gestolen, brandbare stoffen meegenomen en is vervolgens naar binnen gereden. De criminelen gaan verder. Dat is een nieuwe ontwikkeling", aldus De Vries.

"Het hoort uiteindelijk ook wel een beetje bij het vak. Het is niet leuk, maar het is misschien ook wel een compliment. Het betekent dat je je werk goed doet."

Afschuwelijke excessen

Het zijn "gelukkig" uitzonderingen, beamen de misdaadverslaggevers. "We moeten niet een al te grote poespas maken en blijven beseffen dat we in Nederland leven. De liquidaties op Martin Kok (8 december 2016, red.) en Theo van Gogh (2 november 2004) zijn gelukkig afschuwelijke excessen", aldus Vugts.

"We blijven als journalisten gewoon ons werk doen. Criminelen worden gewoon beschreven en komen ook in de krant. En dat zullen zij ook weten."