Jongeren houden op met sporten, omdat ze een bijbaantje krijgen en vaker uitgaan of evenementen bezoeken, niet doordat ze computeren of internetten.

Dat blijkt volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) uit maandag gepubliceerd onderzoek naar sociale en persoonlijke kenmerken van sportbeoefenaars.

Veel kinderen doen tot hun veertiende jaar aan sport. In de puberteit neemt de animo daarvoor geleidelijk af, zo constateren de onderzoekers.

Dat geldt zowel voor het wel of niet beoefenen van sport als voor de tijd die de jongeren eraan besteden.

Hoewel een baan of bijbaantje wel de oorzaak is dat sportende jongeren er de brui aan geven, gaan de jongeren die blijven sporten dat niet korter doen.

Wie begint met uitgaan en er anderszins op uittrekt en toch blijft sporten, doet dat juist langer dan voorheen. En hoewel computeren en internetten dus geen absolute opgeefreden is, blijft er wel minder tijd over voor sport.

Tegenpolen

Het SCP keek ook naar het sportgedrag van andere groepen. Ouderen, volwassenen met jonge kinderen, mensen met beperkingen, allochtonen, lageropgeleiden en mensen met een laag inkomen blijken minder aan sport te doen dan hun tegenpolen.

Volwassenen tussen de 20 en 49 jaar met thuiswonende kinderen sporten minder dan hun leeftijdsgenoten zonder kinderen. Vooral vrouwen met een baby of peuter doen minder aan sport, zo blijkt. Als het kind naar school gaat, gaan vrouwen weer meer sporten.

Onder 50-plussers valt op dat sociale steun en contacten van belang zijn om te blijven bewegen. Vooral 65-plussers die lid zijn van een sportvereniging hechten aan hun sportcontacten.

In het onderzoek van het SCP werd gekeken naar persoonlijke en sociale kenmerken van sportbeoefening. Het ging bijvoorbeeld niet over fysieke of omgevingsfactoren.