Er zijn deze zomer maar liefst 80 tot 85 procent minder wespennesten gemeld dan gemiddeld. De oorzaak ligt in een uitzonderlijk grillig seizoen, denkt bioloog Arnold van Vliet van Wageningen University & Research, die er onderzoek naar deed voor natuursite Nature Today.

Juist omdat het relatief veel regende viel het misschien niet op, maar wie deze zomer toch op het terras zat, had één zorg minder: wespen. Er zijn slechts 15 tot 20 procent van het normale aantal nesten, afgaande op cijfers van bestrijders. Het mooie weer begin september maakt daar geen verschil meer in.

Die relatief natte zomer is slechts een van de oorzaken, zegt Van Vliet. De problemen voor de wespen begonnen al in februari. We hadden die wintermaand eerst een stevige vorstperiode met temperaturen tot 15 graden onder nul, direct daarna gevolgd door recordwarmte, met maxima tot 25 graden.

Vorst tijdens de winter overleven koninginnen van de gewone en de Duitse wesp goed, maar door de zomerse temperaturen erna ontwaakten ze uit hun winterslaap. Om op krachten te komen hebben ze dan eerst nectar uit bloemen nodig, maar die waren zo kort na de vorst nog erg schaars.

Van 40 graden temperatuurverschil naar zomerse stortbuien

Dat grillige patroon herhaalde zich in maart: vorst in het begin en hoge temperaturen op het einde. Daarop volgden een koude april en mei, een recordwarme juni en extreme buien in juli en augustus. Door dit grillige weer was het voedselaanbod vaak beperkt en mislukten nesten.

"Met name zomerse stortbuien, die toenemen door klimaatverandering, hebben een groot effect. Niet alleen op wespen, maar op alle vliegende insecten", zegt Van Vliet tegen NU.nl.

"Normaal schuilen vliegende insecten bij regen onder planten, maar bij intense slagregens worden ze daar weggeslagen. Eén extreme stortbui kan het einde van een nest zijn. Er is nog weinig onderzoek naar gedaan, maar dit moet ook invloed hebben op allerlei andere soorten."

Wespen eten eikenprocessierupsen (en willen pas in augustus zoetigheid)

Minder wespen betekent niet alleen minder overlast, maar heeft ook effect op veel andere soorten in de natuur. Pas in augustus, als de koninginnen zijn uitgevlogen, schakelen wespen over op zoetigheid. Dan zijn ze geïnteresseerd in frisdrank en wijn. Of eigenlijk, in de natuur, in nectar van bloemen en (rottend) fruit.

Tot die tijd zijn wespen hoofdzakelijk insecteneters, die ze als voedsel naar het nest brengen. Dat gaat om zulke grote hoeveelheden dat wespen ook een balansbewaker zijn in de verdere ecologie. Uit onderzoek blijkt dat een gemiddelde wesp elke zes uur ongeveer acht vliegen en twee muggen vangt om naar het nest te brengen.

Wespen vangen daarnaast eikenprocessierupsen en ook de daaruit voortkomende eikenprocessievlinder, waar ze de geurstoffen van oppikken. Zo belanden wespen onbedoeld ook in de vallen voor deze nachtvlinder.

Ook daaruit blijkt dat wespen een uitzonderlijk slecht jaar hebben: sinds de ingebruikname van de vallen in 2007 zaten er niet eerder zo weinig wespen in.

"Bij veel mensen is de eerste reactie bij het zien van een wesp een vorm van paniek", zegt Van Vliet. "Maar wespen zijn toch ook heel nuttig. Dat realiseren we ons niet."